Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

" St.! denkt aan het roosje, aan de dankbaarheid 1 Wy hebben nu allen het goede genoten, maar kunnen wij opregt zeggen, dat wy daarvoor ook regt hartelijk* dankbaar zijnP Zietl het is onze gewone fout, het ."goede te genieten, zonder veel aan den gever te denken. Vanwaar komt dit dan tochP Het komt van de gewoonte. Ja, werkelijk alleen van de gewoonte; want zoo goed, zoo mild is God, dat uit Zijne hand de heerlijkste gaven te ontvangen iets zeer gewoons isl Mijne lieven! moet dit ons niet zooveel te meer aansporen, om te zorgen dat bij ons dan ook dankbaarheid eene gewoonte worde ? Nu, tot dat einde wilde ik met u nog eens over de afgeloopene maand spreken, met u nagaan, wat zij ons brengt.

Waarlijk, men had geenen beteren naam kunnen uitdenken om deze maand te kenschetsen, dan dien van Oogstmaand! Hetgeen de landman in den herfst, of gedurende het voorjaar, aan den schoot der aarde toevertrouwde , dat beloont in deze maand den door hem daaraan te koste gelegden arbeid, dat vergoedt hem ruimschoots alle zorg en moeite. Na vele veranderingen te hebben ondergaan, heeft het zich thans in de aar op nieuw tot zaad vervormd en verbazend vermenigvuldigd. Uit eenen enkelen korrel zijn twintig, dertig, veertig, ja somtijds nog meer andere korrels voortgesproten. Wij waren getuigen van het zaaijen; wij zagen het jonge zaad te voorschijn komen, groen worden, opschieten in de halmen, bloeijen en rijp worden.

Ziet om u heen ! Daar staan de gronden geschikt voor den oogst. Geen storm, geen plasregen, geen hagelslag bragt vernieling. De eene halm golft vlak naast den anderen , terwijl de aren zich neerbuigen, topzwaar door de wigtige, voor ons zoo nuttige vrucht, die het ranke ligchaam draagt. De aanvallige blaauwe bloempjes, die ons

oog zoo dikwerf met zoete verrukking overal beschouwde, zij bloeyen nog hier en daar; hare kleur schijnt den mensch, die, betooverd door dat heerlijke gezigt, in bewondering als weggezonken is, den mensch; zeg ik, schynt hare fraaije blaauwe kleur den hemel te willen herinneren, vanwaar al die zegen kwam.

Alles is tot den oogst voorbereid. De touwen en banden , in welke men het afgemaaide koren zamenbindt, ten einde het aldus naar de schuren te kunnen brengen, liggen klaar; de schuur, waarin men de granen gaat bergen, is behoorlyk gereed; voor zoover deze hier of daar verbetering noodig had en vernieuwd moest worden, is 00k daarvoor gezorgd. Na eenige regenachtige dagen begint het op nieuw goed weer te worden. De zon brandt gloeijend heet, als wilde zij al wat nu langzaam staat te rijpen, op eens en met geweld ryp maken, en de korreltjes in de aren worden harder en harder.

Nu grijpt alles naar den sikkel en de overige tot den oogst benoodigde werktuigen. De opgaande zon begroet de maayers reeds, aan hunnen arbeid op het land; zij maaijen frisch e» vrolijk voort, want de koele morgenlucht is best voor bedrijvigheid. De leeuwrik en andere vogeltjes moeten de lievelingsplekjes, waar zij vroeger zoo gaarne vertoefden, nu ijlings verlaten. Ondertusschen rijst de zon hooger en wordt het van lieverlede meer warm en drukkend. Spoedig stroomt het zweet van het voorhoofd des maaijers; doch zijne stevige hand wordt, niet moede — het dagwerk moet ten einde worden gebragt, en het wordt ten einde gebragt met vrolijken moed, onder scherts en lustig gezang. Waar gij ook ziet, nergens bespeurt gy handen die stil zijn. Tegen den middag alleen rust men een weinig uit, en dan begint het werk op nieuw met frisschen moed. Tegen den avond ligt het uitgestrekte korenveld, dat daar zoo trotsch

Sluiten