Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

leelijke spin het aanzijn had geschonken. Spoedig evenwel ontving hij uitsluitsel. Toen hy, voor saul vlugtend, zich in een hol had moeten verbergen en zijne vervolgers spoedig daarop voor den ingang stonden , had eene spin in den tu3schentijd haar web aan den ingang gesponnen, zoodat saul dacht: //hier kan hij niet zijn binnengegaan; het web immers is niet verbroken!" en voorbij trok. Toen verwonderde zich david over zijne vroegere verbazing en prees en loofde God om al wat Hij had geschapen.

De Bloemen.

Het was in den zomer en de zon brandde heet, toen Willem, een levendige knaap van zeven jaren, tegen den middag haastig uit zijn bloemtuintje kwam, dat achter zijns vaders huis lag. Ontsteltenis en smart stonden op zijn gelaat, anders zoo vrolijk en aanvallig, uitgedrukt. Dof zag hij voor zich neder, zonder zijnen vader te bemerken , die in de tuindeur naar de huppelende vogeltjes stond te kijken.

//Willem, mijn zoon! wat deert u?" riep de goede man ontsteld.

De knaap zag vriendelijk op, toen hij deze hartelijke stem hoorde, en sloeg de armen om zijns vaders hals, als zocht hij hulp en troost.

11Waarom zoo treurig, willem?" vroeg deze andermaal.

Maar willem kon nog niet antwoorden. Een stroom van tranen verstikte zijne stem. Eindelijk brak hij los in klagten. »

//Ach, vader!" jammerde hij, u de zon heeft mijne bloempjes verschroeid; zij hangen alle naar beneden en de blaadjes zijn verwelkt!"

Toen sprak de vader met nadruk : u Bekommer u niet voor den tijd en w^cht geduldig. Zie! het zal nog wel veranderen. Morgen gaan wij zamen naar den tuin , in den vroegen morgen; wanneer het nog koel is, en zullen uwe bloemen bezien."

Willem , deze vriendelijke toezegging uit den mond zyn* vaders, dien hij onbepaald vertrouwde, hoorende, schepte nieuwen moed en werd weêr even vrolijk.

Inmiddels was het branden der zonnestralen allengs minder geworden, hoe meer de dag ten einde liep en de avond begon te vallen. Zacht koesterend waren de stralen van de zon, waarmede zij den heerlijken dag eindigde en de moederlijke aarde haar vaarwel toefluister» de. De avond viel, begeleid door eene verkwikkende koelte; de gansche natuur, welke door den heeten dag scheen afgemat, kreeg nieuwe levenskracht. Vrolijker sprong het bokje naar stal, en allen die over dag in de hitte eenen moeijelijken arbeid hadden gehad, gingen nu naar huis, met vrolijke zangen den liefelijken avond prijzende. Op den heetsten dag '•volgde nu een van de meest koele nachten. De verfrisschende dauw verkwikte planten en boomen. Het koor der gevleugelde zangers, wier luidklinken'd en veelstemmig gezang den knaap uit zijne zoete sluimering opwekte, begroette den aanbrekenden dageraad.

Willem sprong ras uit bed, om in gezelschap van zijnen vader een vroegtijdig bezoek aan zyn tuintje te brengen. Naauwelijks kon de vader den driftigen knaap in het loopen bijhouden. Thans waren zij bij de bloemen gekomen o wonder! Sedert den vorigen dag was alles veranderd. Vol frischheid bloeiden de bloemen in

Sluiten