Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De man is zijn armoedje toch maar kwflt, en dat niet. hoe noemt men dat ook, oom?"

//Tegen brandschade verzekerd, meent gij, mijn jongen, antwoordde toon, „dan kreeg flip er de geldswaarde voor terug. Maar zijne vrouw mag blijde toe zijn dat dit niet zoo is." '

Geruit sloeg groote oogen op. „Blijde toe, dat zt nu doodarm is?" vroeg hij verbaasd. „ Doodarm," herhaalde hij, // en alles, alles kwijt!"

// Toch kan het best zijn dat het die vrouw en kinderen en ook flip zeiven tot geluk is, dat zij geen cent. terugkrijgen," merkte toon aan.

«Dat begrijp ik niet," sprak gerrit.

Toon antwoordde niets, maar toen zij eenige schreden verder waren gegaan en uit een boschje in het open veld kwamen, vatte hij zijn neefje bij de schouders en keerde hem half om. Hij stak den arm uit en wees in de verte naar een hoog voorwerp, dat juist door de maan werd beschenen.

//Wat is dat. ginds, mijn jongen?" vroeg hy^^

//"Wel zou ik dat niet weten?" antwoordde^ERRiT levendig, „de ruïne."

Zoo noemde men den bouwval in dien geheelen omtrek. Het licht der maan viel er nu juist zoo op, dat het door eene oude raam- of deuropening henen scheen. • // Ziet gij dat groote gat in den muur ?" vroeg toon. //Ja, oom, maar wat zou dat?"

. "Zlet glJ het S°ed? — tijk er nog eens naauwkeurig naar."

'/Ja, ja," zeide de knaap eenigzins ongeduldig. //Nu, als gij het goed gezien hebt, zullen wij ons omkeeren en voortgaan. Ziezoo, nu zijn wij weêr op weg.

// Ik moet u van dat gat in den muur eens iets verhalen. Toen ik een aankomende jongen was, of eigenlijk

al wat meer, want ik was tusschen de zeventien en acht- Ik tien, was het bij mij al woest en wild wat er aan was W Ik verlangde naar den tyd dat ik in de loting zou vallen en soldaat worden. Dan kon ik, zoo ik meende

herh Cn °U<\d°en b6Ven voor miine bajonet en in de'

ierg alles kort en klein slaan onder vloeken en tieren

Dat moest een leventje zijn! In 't kort, hoe jong ik ook

was toch was ,k mooi op weg om een woesteling, een

kerel te ' T w ^ d°°r d°°r slechte kerel te worden. Waar twist was, kon men mij vinden-

bij de minste tegenspraak sloeg ik er op of trok mijn'

mes; vechten en afranselen was mijn lust en mijn leven.

eDS bragt lk ln miJ'ne ^ste drift eenen kameraad eene wond toe, die zich in het eerst vrij ernstig liet aanzien ; ik werd gevangen gezet en had het alleen aan eenen gelukkigen zamenloop van omstandigheden te danen dat ik nog al spoedig loskwam. Maar in plaats van daaruit meer bedachtzaamheid te hebben geleerd L

maakte het mij nog veel overmoediger. Ware er niets tusschenbeide gekomen, dan zou ik zeer zeker vroeg of laat wegens manslag of moord op het schavot gekomen zijn. Er kwam iets tusschenbeide, of laat mij liever zeggen de goede God bestuurde het zoo, dat mijne dolle woestheid voor altijd getemd werd.

// Op zekeren dag kaatsten wij nabij de ruïne. Een l

bal v oog naar boven en bleef in het gat waarop ik u opmerkzaam maakte, tusschen twee steenen geklemd vastzitten „Wie durft er hem uithalen?" riep ik uit; „een

.. Diet dUrfU" "Dan "J'n alle menschen afbekken ze,de een mijner makkers, „want het is eene halsbrekende dolzinnigheid, er op te willen klauteren.

■Uat is een wisse dood!"

//Door de tegenspraak in mijnen overmoed verhit J'

klom ,k langs de steenen , die hier en daar onder mijne' " !

Sluiten