Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nisterie, zij verlangt' hetzelfde beginsel van een ander Kabinet. Mijne rede heeft ten doel om te doen uitkomen dat het Ministerie, ook in deze hoogst gewigtige zaak, gewigtiger misschien dan eenig onderwerp, in plaats van te zijn hoofd en leidsman van eene eigene partij, het instrument wordt van de tegenpartij, ons aan haar overlevert; zoo zelfs (en ook hierin is de analogie met den finantielen maatregel in de vorige zitting blijkbaar) dat, door de tusschenkomst van dit Kabinet, de wederpartij meer in haar systema tot stand brengt dan waartoe zij, zelve aan het bewind zijnde, bij magte zou geweest zijn.

Volgens de politieke geloofsverwanten van den Minister, volgens de politieke rigting door welke dit Kabinet gevormd werd, is het beginsel "geen Christendom in de volksschool" strijdig tegen 1° de Grondwet, 2° het nationaal verlangen, 3° het monarchaal beginsel, gelijk het hier met de geschiedenis van het Huis van Oranje in verband is, 4° de roeping die aan dit Kabinet door den Koning opgelegd werd.

I. Het hoofdbeginsel "geen Christendom in de volksopvoeding", strijdt tegen de Grondwet. Ook wij verlangen naauwgezette handhaving van de artikelen 165 en 166 der Grondwet; geene heerschende Kerk, geen voorrang van eenige godsdienstige overtuiging, waar de Godsdienst niet te pas komt. En waar zij'ïte pas komt, wat verlanged'fwij daarP gelijkstelling van Protestanten en Roomsch-katholijken, terwijl aan de Israëlieten in gelijke mate ondersteuning worde verleend. Maar rust deze gelijkstelling op den Christelijken zin der Natie; of op de voorschriften eenerf Wijsbegeerte, die scheiding van Staat en Kerk niet alleen, maar scheiding van Godsdienst en Staat begeert? Is hier nationale verzaking van het Evangelie? Moeten wij, om den Israëliten, of liever om hun te believen, door wie ter doordrijving van vrijzinnige begrippen de Israëliten worden geutiliseerd, ver-

Sluiten