Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

* Wie maar den goeden God laat zorgen, enz.; iets anders las ik niet. Ik geloofde in God, en dat heerlijke gezang was mij onuitsprekelijk dierbaar. — Maar nu arbeid? — Welken moest ik aanvatten?

n Ik ging den akker op en den tuin in. Spade, bijl, snoeimes, heggeschaar en tuinhark waren bestendig met mij, meestal in gezelschap van een trouwen arbeider. Ik arbeidde en leerde arbeiden en kreeg er lust in; want met iederen dag won mijn ligchaam in vroeger nooit gekende krachten aan, en ik had genoeg te doen met het beoefenen van hetgeen mij toen nog vreemd was, om niet door ledigen tijd in allerlei gepeins te vervallen. — Neen! dat geleek er niet naar! Evenwel ontwikkelden zich toen bij rrij de denkbeelden, die ik daarna in het boek de Natuur en de Mensch heb opengelegd.

u Intusschen was ik dien ganschen tijd door het liefste onder arbeidslieden. Ik leerde hun geluk en ongeluk kennen, hun lief en leed mede dragen. Het leven werd mij nieuw, onder eene gansch andere gedaante. Het werd mij aangenaam zonder boeken, zonder wetenschap; het werd mij lief, omdat het allen de deur opende om zich te oefenen in den arbeid en als reinen van harten God te zien.

// In dien tijd moest ik mijn examen in de godgeleerdheid afleggen. Mijn vader drong er op aan. Mijne' examinatoren zullen wel zelden iemand voor zich gehad hebben, wien, hetgeen hij behandelde, over het geheel zoo dood onverschillig was: want ik antwoordde uit eenen tijd, die mij vreemd was, uit studiën, die voor mij reeds te iniet gegaan waren. Ik was zoo geheel zonder belangstelling ten aanzien van alles, waarover ik toen. sprak, dat juist, toen ik mijn examen gelukkig volbragt

Sluiten