Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werkkring, waartoe ik geroepen was. Tot de geringere standen stond ik als iemand, die zich met hunnen arbeid en hunne levenswijze gemeenzaam gemaakt had. Ik had geleerd, dat er tusschen mij en hen geene klove was. De spreuk: Zalig zijn de reinen van harte, want zij zullen God zien, gold hun en mij evenzeer. Mijne wetenschappelijke kennis maakte mij niet beter, rijker of gelukkiger; neen, integendeel veel ongelukkiger.

// In dien toestand werd ik Predikant in een gedeelte der Betuwe, alwaar vele dorpen met eene overgroote bevolking bijeen liggen. Op één uur afstands naar alle zijden, zoo over den Rijn als in de Betuwe, telt men veertien Gereformeerde en Roomsche kerktorens. Sommigen dier dorpen zitten vol van hutten. In Hemmen zelf zijn geene armen.

ii Toen ik Predikant werd, was de geheele Betuwe overstroomd. Midden in den watersnood werd ik bevestigd. NaauwoUjks was toen het water een weinig aan het zinken. De naburige dorpen waren of werden juist toen grootendeels vacant. Ik stond van het eerste oogenblik in mijn ambt tegenover eene groote bevolking, die op dat tijdstip in droevige omstandigheden verkeerde. De toenmalige Predikant van Hien en Dodewaard, koppï; geheeten, verzocht mij dat gedeelte; zijner armen , hetwelk nabij Hemmen lag, over te nemen, dat hadden ook mijne voorgangers gedaan. Mijn laatste voorganger, de edele hoog, had zich in de hulp en bedeeling dier armen op zulk een ruim veld begeven, dat zij in hem een eenigen man, een vriend en weldoener gevonden hadden, maar helaas! ook zoo het bedelen aangeleerd hadden, dat zij niets anders dan bedelaars genoemd konden worden. Godsdienst, zedelijkheid ontbrak alom; ik zag dat duidelijk ; maar mij was toen nog niet klaar, waar

Sluiten