Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Als het zoete zijn, gaat het best, zeide de arbeider.

— En die zijn goedkoop.

— Gewis! maar erg is het, als het iemand zoo gaat als mijn zwager, dat het varken niet eten wil.

— Dan moet het sterven!

Neen! ik meen het varken eet genoeg om te

blijven leven, maar niet genoeg om vet te worden.

— Wel, dat is geen hopelooze „toestand.

— Ja zeker, zulke varkens worden nooit vet.

— Als ik in zijne plaats was, verkocht ik het.

— Mijn zwager zegt, dat hij dat niet doet, want dat hij dan iemand anders bedriegen moet, en dat mag niet.

Ik stond verbaasd over de eerlijkheid van den goeden man. Ik moet bekennen, dat hij de trouwhartigste daad volbragt, die ik mij konde voorstellen. Want een varken is in eene hut het eenige vleesch, dat er gegeten wordt gedurende een geheel jaar; mislukt zulk een beestje dan mislukt alles, en men moet alles met water en zout eten. Wèl hem die zoo vast in zijne beginselen staat, dat dit alles hem niet ter regter- of ter linkerzijde wegsleept. Die man toont een trouw en een geloof, dat waarlijk groot is. Niemand toch kan iets aan dat varken zien, niemand weet ook wat hij op de markt koopt, waar allerlei bedrog gepleegd wordt.

Ik verheugde mij over het trouwe geloofsbeginsel van den eenvoudigen man. Weinige dagen later was ik bij een rijk man; er werd over de beginselloosheid van onzen tijd gehandeld. Ik stelde vast, dat slechts in het geloof alle beginselen hunne eigene kracht en leven ontvangen. Toen deelde ik deze geschiedenis mede. Zij trof algemeen. Eenige oogenblikken later trok iemand zijn beurs, en gaf mij drie gulden om een ander varkentje te koopen voor den trouwhartigen arbeidsman.

Sluiten