Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

komt de deur niet uit, en de kruimels staan te verschimmelen; de dochter heeft geen warm eten en denkt: Ja, het kan ook wachten; de andere huisgenoot en denken: er zijn er zoo velen die zorgen, en jagen de kippen weg. Arme kippen! gij lijdt nu honger en kommer, en wordt slecht bedacht. Een anderen dag zijn allen wederom op hun post. Nu hebben de kippen het dubbel goed. Zoo wordt het volkje tusschen overvloed en gebrek gehouden en lijdt dubbel. — Het is tot niets geschikt;

Zie daarentegen een ander erf, daarnaast gelegen. Hier geldt het beginsel: de kippen moeten hun eigen voedsel zoeken. Met het; krieken van den dageraad gaan zij uit en doorwandelen den boomgaard. Zij vinden allerlei schadelijk ongedierte, waarvan zij leven. Kevers, rupsen en maden, korreltjes onkruid en wat er in den afval en op den mestvaalt gevonden wordt. Geheele tijden zijn er, dat zij niet gevoederd worden. Vooral niet in den oogst. Maar is de tijd daar, dat het moet geschieden, dan gaat het door ééne hand. Het is de huismoeder zelf, die ze te zamen roept. Maar zij en hare kippen weten den tijd en zijn dan klaar. Er wordt geen oogenblik verloren. Terstond gaat de troep weder uit elkander, en ieder zoekt het zijne. Er is nooit een gedrang aau de deur, nog veel minder een indringen in huis. — Zoo varen zij wel. Zoo kosten zij weinig. Zoo voldoen zij aan de bestemming.

Glimlagchende zult gij de gelijkenis beamen. De kippen zijn uwe armen. De huisvader is de Staat. Hij doet, wat hij doet, geregeld-.1 Hij spijzigt tweemaal daags; genoeg ïtegen den hongerdood. In den winter en in tijden van nood geeft' hij het dubbele. De moeder is de Kerk. Zij verzamelt hare kruimeltjes, zoo veel zij kan en zörgt, dat het er nooit aan ontbreekt. —

Sluiten