Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is er voor de huisgenooten niet meer. Hij wil dat zij een vast boekje zal opmaken, en geregeld rekening zal afleggen van al hetgeen zij gevoederd heeft. Maar ook dat kan zij niet, want zij zegt: een harde winter of een buitengewone nood maakt het onmogelijk met het mij karig toegezegde uit te komen. De oudste dochter wil hare moeder ter zijde staan, mits de vader met volle vertrouwen de zaak aan de moeder overgeeft en haar bijspringt, en al de verdere huisgenooten zorg dragen, dat wat er geschiedt, door ééne hand geschiedt, en ieder het zijne bijdraagt om den noodigen voorraad te vermeerderen van allerlei nuttige spijzen, die ten beste van de hongerige gasten onontbeerlijk zijn.

Als men naauwkeurig acht gaf, was het alsof men op ons Armen-Congres bestendig dit eene punt op velerlei wijze hoorde behandelen.

Jammer dat de moeder, door velerlei dringende bezigheden verhinderd, er niet bij tegenwoordig was.

Gelukkig echter was het allen duidelijk, dat het niet meer gaan konde, zoo als het nu gaat, en dat er reeds zeer belangrijke voorbeelden waren, waarvan men zeggen kon: de armen-verzorgiug door de Kerk met volkomen vertrouwen en hulp van den Staat, en in zamenwerking met de beste krachten der Philautropie, blijkt de eenige weg te zijn, die door ons kan ingeslagen worden.

Ééne gedachte vervult mij steeds. Hij doet de maatschappij de grootste dienst, die een huisgezin uit het proletariaat overvoert tot eigen verdiend brood. Hij daarentegen, die er iets toe bijdraagt, dat een huisgezin, hetwelk eigen brood verdiende, ophoudt voor >zich zelf te zorgen en zich overgeeft aan de bedeeling, doet de maatschappij de grootste ondienst.

Sluiten