Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8: 14. Waut God deed hem zien en weten, •

Israël heeft God vergeten; 5 : 5. Toen voorzegde hij aan allen, Joel. Ook zal Juda met hen vallen.

1 : 1. Moest Joel de Profeet, Gelijkenissen spreken, 2: 13. Die't harte open deed, Gods geest zou nooit ontbreken.

1 : 3. Men moest van kind tot kinderen, Die leer doen overgaan, 8 : 17. Nooit moest de kennis minderen, Van 's HeerenWbnderdaan.

Amos.

7 : 14. Amos als Profeet van God, Schoon geen Profeten ?oon, „ Sprak van het toekomstig lot,Van Israëls volk en troon

15. Werd hij van ossenherder, Geroepen tot Profeet? n God sterkte steeds hem verder, Als hij zich hooren deed.

10. Ziet! toen zond Amazia, Gezanten tot den Koning „ Zeggende: men profeteert,dat eens zonder verschooning

11. Gansch'Israël ^ontroert" Zal worden weggevoerd, K De koning «als niets waard' 'Zal sterven door hét zwaard.

12. Daarna sprak Amazia, Tot Amos. — Ziener vlied , En ga weg — vlugt naar Juda, Verblijf te Beth-el niet,

13. Want dat is des Koningshuis, Des Konings Heiligdom, n Door ditHeiligdom den schat,Van'sHeeren gunst alom.

Obadja.

vs. 1. Het gezicht van Obadja, Zag verlicht door Gods gen& 8. Het zoo trotsch Ezau's geslacht, Van Edomten val gebragt.

10. Om het geweld begaan, *En uwe euveldaan" „ Aan Jacob, uwen broeder, Zegt God »als hun behoeder." 2. Ziet! ik heb nklein gemaakt, Engij zijt veracht „geraakt,"

15. Want de dag de3 Heeren is, Nabij //en uw val gewis."

18. En Jacobs huis zal zijn, Een vuur /'voor groot en klein," f Dat Ezau's huis verteerd, //Omdat het God onteerd." z/De Heere heeft gesproken, 't Zal worden afgebroken."

Jonas.

1: 3. Vlugte Jonas de Profeet, Voor 't aangezigt des Heeren, 17. Dat dit met zijn roeping streed, Zou ras een visch hem leeren. 6. Gevoeld' Jonas zondenschuld, Gelijk Ninevé's Koning ?

10. Op hem zag God met geduld, Op den Vorst? met verschooning. 4: 6. Moest hem'nWonderboom//alsschat"Verblijden en bewaren?

11. En zou God die groote Stad, Ook niet genadig sparen ? Micha.

2 : 1. Wee ben die Gods wetten krenken, Ongeregtigheid bedenken. 4: 12. Zij weten de gedachten Des Heeren niet, of trachten

1; 1. Naar zijnen wü te leven, Door Micha voorgeschreven.

Sluiten