Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ÏJtf daar, met Heerlijkheid omstraald,'

Ter Regterhand zijns Vaders praalt.

7. 'k Geloof dat.Hij, met magt bekleed,

Hij, die der menschen daden weet, Van daar, bij 't sterk bazuingeschal,

Ten oordeel weder komen zal, Opdat Hij levenden en doön,

Ten strafl'e doem of gunstrijk loon.

S. 'k Geloof ook in den Heil'gen Geest,

Wiens invloed elk, die God steeds vreest, Na 's Heilands wondre Hemelvaart,

Verkwikt en troost en sterkt op aard': Een die, met Zoon en Vader één,

Van ons, als God wórdt aangebeên.

9. 'k Geloof een Christelijke Kerk,

Een: algemèène, die het merk,

Van ware deugd, en Godsvrucht heeft,

Al waar men in gemeenschap leeft,

Des Heilands leer, in 't harte prent,

En Hem, als 't Opperhoofd erkent.

10. "k Geloof dat God! oneindig goed,

Als Hem, de zondaar valt te voet, Als hij, hoewel van Hem vervreemd,

Zijn toevlugt tot den Heiland neemt, En met berouw, zijn schuld herdenkt,

Genadig hem, vergiff'nis schenkt.

11. 'k Geloof, dat schoon 'k de aard' verlaat,

Schoon 't vleesch in 't graf tot stof vergaat, En tot een aas, der wormen strekt,

Dit eigen vleesch weer opgewekt, Verrijzen zal, met nieuwe kraoht,

Op 't hoog bevel der Oppermagt.

12. 'k Geloof geen. ziel vernietiging,

Maar dat m' op Gods verzekering, Een .heilrijk leven is bereid,

't Geen duren zal, in eeuwigheid, Versterk m' in dit geloof, o Heere!

Zoo leef ik eeuwig U ter eere.

Sluiten