Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

welluidt, deugdelijk is en lof verdient1). Zij verklaren alles ons eigendom; Paulus, Petrus, Apollos, het leven en de dood, niet alleen de toekomende dingen, maar ook de tegenwoordige zijn de onze: met alles mogen en moeten wij ons voordeel doen2). Want Gode behoort de aarde en hare volheid, en wij zijn Gods kinderen, Gods erfgenamen, Gods plaatsvervangers, heerschers onder God over de aarde 3).

De Christen mag dus niet onverschilig zijn omtrent de aarde en haar schoonheid en rijkdom, noch omtrent hetgeen zijne medemenschen daarvan maken. Hij moet letten op landbouw en volksvlijt en handel, op schoone kunst en wetenschap , en op alles, wat ons leven op aarde in huis en maatschappij kan vervrolijken en veredelen. Wij leven op aarde, om door het leven op de aarde te leeren leven voor den hemel.

De Christen mag zich dus niet aan het aardsche leven onttrekken, om alzoo schijnbaar te beter voor den hemel te leven. Niet alleen op aarde, ook door het aardsche leven, door de beslommeringen des huisgezins en der maatschappij, door zijn werk op den akker en in de fabriek, in het schip en in het boekvertrek, moet hij geschikt en bereid en gevormd worden voor het leven in den hemel; want het leven op aarde en in den hemel fs één; hier het begin, daar de voortzetting.

"Verheugt u dan in uw aardsch bedrijf, wie gij ook zijt! Geen eerambt is te hoog, geen handwerk te laag, of het Evangelie geeft daaraan eene wijding ten eeuwigen leven.

Dat geve ons ook nu de Vader te zien en te gevoelen op ons ootmoedig en dankbaar gebed!

Geled.

>) Phil. IV: 8. 2) i Kor. \\\, 20-23. 3) Hebr. II: 5—10.

Sluiten