Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eeuwige Majesteit en Opperheer van alles zijne onmiddelijke genieting, aan den redelijken tnensch niet heeft gelieven te geven, en zelfs niet beloven, dan na het volvoeren van den voorgeschreven pligt, overeenkomstig des menschen stand; wel verstaande den menseh op en in zich zei oen aangemerkt, zoo was het in onzen oorspronkelijken stand in eigen persoon, doet dat en gij zult leven; te weten, de volmaakte inhoud der zedewei vermeerderd met het stellig proefgebod: maar ook in onzen verdorven stand blijft onze Oppergebieder zoo met ons handelen. Ziet Gods handel met Cain, Gen. 4 v.7 zoo zegt de Heere is er niet, indien gij wel doet, verhooging? deze verhoogmg toe te passen op het behouden van het regt der eerstgeboorte, of op het wederom verheffen van zijn vervallen aangezigt, zoo als sommigen denken, is zonder grond; ziet hierover den hoog eerw. heer S. van Til eerste werelds op- en ondergang, pas. 227, 228, de hooge majesteit wil er mede zeggen, Cain, dat ik uw offer niet heb aangezien, is uw schuld, omdat het zonder geloof was; maar bekeer u en geloof ook in het beloofde vrouwenzaad, want dat is nw pligt; en dan zal ik n ook in gunst aannemen: of is eb niet indien cu wel doet verhooging , of verkrijging van genade ? of zoudt gij denken, dat ik mij te vergeefs zonde laten zoeken? neen zeker! allen, die mij als verlorenen zoeken, zullen verhoogd worden, zelfs tot in mijne onmiddelijke gemeenschap toe; zoo dit geene voorwaardelijke belofte van zaligheid is, in onzen stand van ellende, bedriegen zij zich allen , die wij over dezen tekst iets hebben hooren of zien aanmerken (*).

(*) Deze nadrukkelijke aanspraak Gods U uit een van deze twee betrekkingen, te welke God tot Cain stond, voortgekomen , of uit die eeuwige liefdesbetrekking die Jehova als volstrekt vrij op de uitverkorenen, met voorbijgaan van alle anderen, du tij als zondaars in alles gelijk waren, heeft gelieven aan te nemen; welke alleen de grond is van de krachtige roeping in den tijd Jer. %K en Kom. 8, qf de aanspraak is gegrond op Gods opperheerschapij als Schepper en Wetgever en. Ingeval van ongehoorzaamheid en van niet wel te doen, straffend rt-iVLl JUL <teXe twoe Strekkingen, zoo veel wij konden, gewikt te hebben, {want een-derde is ons onbekend) is de eerste ons op hervormd*

Sluiten