Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

7<>« VRAAG,

Als wij hooren spreken van belofte van genade en zaligheid, op de voorwaarde of beding van het geloof en bekeering, in welk een gezigtspunt moeten wi/ die beschouwen; en, is er in Gods woord grond om te stellen, dat er zulke voorwaardelijke beloften aan allen, tot welken het woord komt, gedaan worden ?

antw. Het kan niemand, die ten eenemaal geen vreemdeling in onze godgeleerde zamenstelsels is, onbekend wezen, dat zij vrij algemeen spreken van het geloof en de bekeering, als voorwaarden van het genade verbond, maar het is ook even zoo zeker, da», als zij zich nader verklaren, alles verstuift als kaf, wat naar eene voorwaarde, (eigenlijk opgevat, zoo als die bij de remonstranten verklaard wordt) gelijkt, Daarom is het mij lang voorgekomen, dat, als men de zaak ontkent, het woord wel mogt achtergelaten worden, (*) en ik noem het liever pligten der bondgenooten, die zij .door genade volvaardig betrachten, want gelooven is een daad van het onverliesbaar geschonken nieuwe leven der genade; en is dit nieuwe leven niet reeds het eerste geschonken goed des verhonds, door het verbonds-hoofd voor alle zijne opzigtelykp verbonds leden verworven * volstrekt ja: maar hoe is het mogelijk te begrijpen, deel te hebben aan het wezenlijkste goed des verbonds, het nieuwe leven, of, wilt rij, het leven des geloofs, en dan nog voorwaarden daar te stellen, om in het verbond te komen? neen! het geloofsveimogen, of het beginsel der bekeering, is een goed des verbonds, en ook als zoodanig beloofd, Jer. 31: 33, Ezech. 36: 25, 26 en 27.

Ik denk, dat dit weinige, hoe ik over het deel krijgen aan, of inkomen in het verbond der genade denke, elk, die weet wat hervormd is, in tegenstelling van zelfs het

(*). Alleen omdat de remonstranten, en te regl, uit hunne beginselen

het fjnt»js^jl' *"*•

Sluiten