Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zichzelven, Luc. 18. Even dit miste deze pharizeër, en even dit werd in de voorheengemelde voorbeelden gevonden. Maar is dan het zien van de zonden, het hongeren en dorsten naar vergevende genade de grond van vrijheid om tot Christus te komen? dit is een laster op onze denkwijze geworpen, zoo onbeschaamd, dat het naauwelijks kan gezegd worden. Neen, ontfermende liefde is het, die gezorgd heeft, dat zulke arme verlorene zondaars niet hopeloos aan Gods zijde behoeven te worden, en daarom den weg tot eenen Zaligmaker, juist van zondaren, zoo wijd open zet; dat zij allen zonder onderscheid geroepen worden, die dorst heeft, die home! hier is de grond van vrijheid niet alleen, maar van verpligting voor dezen in wet en evangelie beiden, en, die maar wil, neme de wateren des levens om niet. Noemt mij nu zulk eenen, en ik zal u in zijnen persoon eenen wijzen, die door voorkomende genade is vatbaar gemaakt voor volgende genade. (*) Maar, zal men zeggen, de Heiland was alwetend, die wist dat deze pharizeër geen uitverkorene was; dat weten deleeraars niet, en daarom moeten zij de genade aan allen aanbieden van Gods en Christus wege. Dit te bewijzen, is de zaak die in geschil is, dan uit des Heilands bevel is het nog nooit gebleken; wij houden bet voor bewezen, zoo lang het tegendeel niet getoond wordt, dat het bevel tot bekeering en geloof en de belofte van zaligheid aan allen, die het hooren zich bekeeren en gelooven de inhoud der prediking is van wet en evangelie, en die is algemeen aan allen. Zegt men, dit is de wet prediken, ik antwoorde, berisp vrij den leeraar der geregtigheid, die zoo gehandeld heeft, indien gij er lust toe hebt. Ja, het volstrekte aanbod van Christus aan allen is nutteloos, en tegen des Heilands uitspraak, want die gezond zijn hebben den medicijnmeester niet van nooden, maar die ziek zijn ;

(*) Terwijl een zorgloos naam-christen even zoo weinig met Jezus en zijne zalige gemeenschap op heeft, als met eenen schat, dien hij niet weet of die in de wereld is, zoo hij de bezitters daar van zelfs niet bespot en lastert en in zijne tegenwoordigheid niet kan verdragen, van dit groote goed sprekende, als hnnne zaligheid uitmakende.

Sluiten