Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heeft, is tot eene verzoening voor onze zonden. Wie zijn die wij en om? zijn dat de gansche wereld der menschen , die onder het woord leren, zooals deze nieuwhervormde verlichte schriftverklaarders ons willen opdringen ? zoo ja, waarom worden zij dan het uitwerksel der verzoening niet deelachtig? kunnen dan oproerige onderdanen , door den dood van des konings eigen zoon met hunnen souverein verzoend, nog in de ongunst des konings blijven, en als zoodanige gestraft worden? hoe ongerijmd dit ook zij, als wij een gereformeerd denkbeeld aan het woord verzoenen hechten, zoudè dit toch moeten volgen; maar als men een remonstrantsch denkbeeld aan het woord verzoenen hecht, dan zonde het strooken, want verzoenbaar, of dadelijk verzoend, is een aanmerkelijk verschil; laat het slot van het volgende 17 vers van Joh. 3 dit bevestigen: want God heeft zijnen zoon niet gezonden in. de wereld, opdat hij de wereld veroordeelen zonde, maar opdat de wereld zoude leven door hem. Hoe! mist nu God zijn oogmerk in dezen? of wordt dat opdat geene waarheid, in betrekking tot de hier bedoelde onderwerpen, door het woord wereld voorgesteld? hebben echter deze uitleggers lust en grond om dat te toonen, zij zullen vele leeraren en ledematen een ongelukkige floers van de oogen ligten, die er nu op ligt, en zeer aan hun verpligten, mits op hervormde gronden; lees, mijn lezer! Titum 2: 14. d aar leert Paulus dat Christus zichzelven gegeven heeft, dan, waartoe? opdat hij ons verlossen enz., indien nu vaders en zoons doel hetzelfde is, zooals het is, maak dan zelf het besluit: of is het niet dit? het oogmerk van de goddelijke personen kan niet verschillen; dei halven is die wereld, waartoe God zulk eene groote liefde gehad heeft, dat hij zijnen zoon gegeven heeft voor haar, alleen de uitverkorene wereld, omdat hij die heeft lief gehad met eene eeuwige leefde, en haar daarom trekt in der tijd met goedertierenheid, Jer. 31. Meer was er nog toe te doen, maar mijn bestek verbiedt mij zulks; dit eene kan ik echter niet voorbij: menigmaal heb ik, zoo aan mij zeiven, als anderen gevraagd, indien

Sluiten