Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nemen ,. is, als. een nieuwe band en prikkel voor onze zielen , om ons nader door den Geest met God te vereenigen en om ons verder; van de zonde, en van

ietj Hun (s) verklaard, ontvouwd, bekend gemaakt, als Zijn Woord, gelijk. Hij hier zelf met eigen mond aan de« srroosr^doet, »»e twee. den: de heiligmaking, als ALLEEN en GEWIS voortvloeiende UIT de, regtvaardiging in Hem, voer Cod in het geweten, met hind-r-aannfmiutfltn eeuwigen leven, en alle datrjp.liMrMonebe» loften,. vooral ven, tteeds heiligende en zeker bewarende genade, tot de Hemelsche zaligheid;. zoo dat DAT w.ater,, door het.tedrinken voor aUe.eejrwigheid, zqodra.het alzoo gedronken zal zijn, terstond met hei eerste geloof ter regtvaardigheid te», leven , in hem geworden zal zijn eene fontein van water, springende „tot in het eeuwige leven]'t wat dan de Zaligmaker hier aldus,, benevens van het wszen dea geloof»,, voorstelt, van. de gelijkelijk,, hart ver. heugende en, bekterende ,ziel—zaligende — en — heiligende, nimmer bij een' «enigen falende Ca), onmiddelijk UIT het eerste geloof ontvloeijende, en steeds tot in het eeuwige leven voortvloeijende uitwerkselen en vruchten, —dat heeft^ejtetvejzpo plaat», hij het gedurig—leven DOOR Qg^ en . bij elke «eer bijzonder opgewekte en verlevendigde oefening van even dat zelfde, g^Joof., het welk diep en vast in het bart geworteld werd,, door, eene voorafgaande geestelijke zonde— en —ellende overtuiging, en door eene steeds voortgaande en toenemende geestelijke verlichtiagin eve n deze kennis (4), en in de uitnemendheid der kennis van Zijnen Heer Jezna Christus , <FiI. 3: 7—9. Jesaj, jjj u.) Cs) steeds al dieper ia het harte ge. Worteld wordt, Hoe meer alzoo, dopr den inwonenden Geest, dier verlichting, (Efez. 1: 17 enz.) enz, dat geloof opgewekt eu verle-

(1) öf, het geen even het zelfde it, in Zijnen naam van Zijnentwege,, (a Cor. 19, Luk. 14» 17. Hand. as 38, 13: 38, 30. 16: 31.), wordt verkondigd, (door den kinder—Doop verzegeld.)

(2) ZOO WIE spreekt de Heere.,

(3) Joh. 6: 50—58. Rom. tl 17. Gal, as 20.

(4) Heidelb, Catech, Zond. 44.» Vr. en Antw. i.lj. Jer, aai 19, Rom. 7.

(5) C—de gedurige noeddruft, spija ea, draak der ziel,dieaast Hem vereenigd ia. —)

Sluiten