Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van dezelve ook alleen al zijne sterkte en wasdom steeds bekomt, is immers het eenige middel van onze Heiligmaking , door hetwelk onze harten van de tonden

hart met deszelfs uitvloeiselen naat buiten, in de gedaante naar dat zelfde Beeld veranderd (i), alle heilige gevoelens, verlangens, gezindheden, tot de waarachtige bekeering wezenlijk behoorende (ij, verlevendigd worden; de liefde,—van en tot Zijnen God en Zaligmaker,—vereenigd met ware broederlijke liefde en liefde tot allen (3) de liefde, hen dringt om niet zich zeiven, maar Hem te leven, in Hem, door Hem. (Joh. 15: 1, en verv.), en vaar Hem. Zoo is het dan, ten aanzien van de gelijkelijk hart—verheugende ea bekeerende, ziel—zaligende en heiligende uitwerkselen en vruchten, van het eerste f.4) geloof in Christus ter regtvaardigheid ten leven (5), en voorts van het gedurig leven deer, en van elke meer bijzonder verlevendigde oefening, van even dat zelfde geloof, aldus, gelijk de Heer gesproken heefii zoo wie vao DAT levende water gedronken zal hebben, die zal, (niet alleen) „in der eeuwigheid niet wederom dorsten," maar ook, dat water zal, met en door dat drinken van het zelve, in hem geworden zijn, (en in het volgend gedurige leven deor, ea bij elke meer bijzondere opwekking van dat geloof, in hem dan steeds bevonden worden) eene fontein van water, apringende, {in hit hart, en uit het hart, in woorden en in werken, bestaan ea wandel,) springende tot in het eeuwige leven C*JII— De Heiligmaking, de Eenige war» Liefde en Godz.ligueid met hemeltchgeztndheid (1 Tim. 1 * 5.) bij aanvang; Rom. 8t 1 — 4, »4, «5 en vervolg.) bij voortgang, bij toeneming, en telkens bij Verlevendiging, ALLEEN en ZEKER VIT de regtvaardigmaking, door het Bloed des Zoons God», DIT DAT «enige ware EERSTE geloof en daarmede aangevangen • LEVEN door het geloof, het wélk is een Drinken , een gedronken

(1) z Cor, 3: 18. 1 Joh. 4: 8, i7..a: 15, 16. Rom. 8: ao, Efez. 4: 94. (a) Heidelb. Catech. Zond, 33.

(.3) 1 Joh 5:1, enz, 1 Thess. 4: 9, 2 Petr. 1: 1 — 8.

(4)—in eene diepte van aarde wel voorbereidt, wortel ea leven in

zich hebbende — Matth. ij: 18 — 23. Joh. 6s 53,-54. Cs) Joh. 3: 3. vooral Vs. 6b, Efez. 2; 8 — 10. Ezech 3S: 45—27. («) Jer. 32: 38 — 40. 1 Petr. 1 ;i—5.

Sluiten