Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te stippen, ik schrijf dit er enkel bij, uit oorzaken van de listen des satans, en omdat het aanstonds in de rede te pas komt (zoo gij er op merken zult) bij vele overtuigingen des satans waarmede hij mij vastmuurde, uit oorzake dat hij het mij met den Bijbel bewees; daardoor ging ik van den Heere Jezus denken, als Hij de ware Zaligmaker niet is, dan is het nog voor eeuwig verloren. Zoo dwaalde ik drie dagen en twee nachten door, in de grootste bestrijding. Ach, geliefden! eischt niet dit in bewoordingen te bréngen, want dat kan ik niet, de nood steeg zoo hoog, dat ik dacht te bezwijken, ik bad drie dagen tot God den Vader, om de groote breuk te vinden. Ach! dan riep ik maar aanhoudend: O, almachtige God! kom toch van den hemel en laat mij toch weten, of de Heere Jezus de waarachtige God en het eeuwige Leven is. Ik bracht zoo drie dagen door; waar ik ging of stond, daar volgde de satan mij, om mij maar bang te maken; als ik bad, dan vloog hij om mij heen als een brieschende leeuw, schudde aan mijn ledikant, en in alle gezichten zich vertoonende, mij vloekende en overal verjagende, enz. Dit geschiedde uit oorzaak, dat ik voortijds een godloochenaar ben geweest, dus van zelf ook zoo in de rechtvaardigmaking moest verschijnen, hoewel ik voortijds altijd in mijn hart moest betuigen, dat er zeker een God was, maar ik wilde niet, dat de Heere Koning over mijn hart was, mijn geheele kruis was om te zondigen, enz. Toen ik onder deze bestrijding lag, dacht ik dat het voor mij voor eeuwig te laat was, want de benauwdheid steeg ten top, ik kon en durfde niet meer te bidden, en den Heere Jezus te verloochenen durfde ik ook niet; wel geloofde ik aan Hem, maar niet in Hem, maar satan wilde alles weg hebben, en door middel van mijn moeder las ik in Jezaja. Zij zeide: Daar is geen regel, of de Zaligmaker komt er in voor, hoewel zij van die zaak toen nog niets wist. Ik las al de voorzeggingen in dat hoofdstuk. Leest gij, die dit leest, Jezaja 53 en 54, Dit was met den

Sluiten