Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mensche recht gemaakt heeft, maar zij hebben vele vonden gezocht? Kap. 7 : 29. Omdat in de eerste bondbreuk een menigte van zonden verborgen liggen, nl. afval, rebellie, hoogmoed, eigenliefde, ongeloof, ondankbaarheid, afgoderij, diefstal en doodslag. Het zy zeer verre den onkreukbaren Jehova tot een Autheur van de zonde, of den H. Israëls van onrecht te beschuldigen. Job 34: 10. Maar evenwel stemmen wy met onze vaderen in, gelyk Augustinus tegen Pilagius zeide; de Heeee is geen bloote aanschouwer van de zonden, want daaruit zou noodzakelijk moeten volgen, het schepsel onafhankelijk te maken van zijnen Schepper. O neen, de Heebe belet, beperkt, ja belacht menigmaal de doodelijke instrumenten der vyanden tegen Zyn volk, ziet de bewyzen in vele toonbeelden m den Bybel opgericht. Gen. 20:6; 31:24; Ester 3. Job. 2:6; Ps. 2; Jes. 54. Maar wat met Zijn eeuwigen raad, de verheerlijking van Zyn deugden en de zaligheid Zijns volks overeenkomt, dan regeert en bestiert Hy de vyanden naar Zijn ondoorgrondelijke wysheid, daarom werd de oude slange losgelaten op Eva, omdat Zyn besluit en souvereiniteit niet toeliet, den val te beletten omdat Christus Zich als plaatsbekleedende Borg in het gerichte Gods gesteld had, spreekt de Hemellichter: „Zwaard ontwaak tegen Mijnen Herder, tegen dien Man die Mijn Medgezel is, spreekt de Heebe der heirscharen, slaat dien Herder. Zach. 13 : 7. Daarom zeide Jezus tegen Pilatus: „Gij en zoudt geen macht tegen Mij hebben, indien het u niet van boven gegeven en ware." Joh. 19-11 Zoo zegt ook Petrus: „Dezen door den bepaalden raad en voorkennisse Gods overgegeven zijnde, hebt gij genomen ende door de handen der onrechtvaardigen aan het kruis gehecht en gedoodet." Hand. 2:23 en wederom kap. 4:28: „om te doen al wat Uwe hand ende Uwen raad te voren bepaald hadde dat geschieden zoude. Alzoo sprak ook Jozef tegen zijne broeders, die hem verkocht hadden: „want God heeft mij voor uw aangezichtegezonden." ben. 45:9. Zoo zeide ook David van den boozen Simei: „want de tteere doch tegen hem gezeid heeft, vloekt David:. 2. Sam. 16 • 10 Dat de Heers de zonden tot verheerlijking van Zyn grooten Naam bestiert, blykt duidelijk: „Doch Ik zal Farao's harte verharden." Ex. 7 : 3. Dit verharden is volstrekt geen instorten van verharding tot zondigen, maar een heilige, verborgene werking, een loslaten ües duivels , overgegeven aan zyn verhardheid. Ziet hierover uitgebreider na den geleerden Brakel Deel I pagg. 272—283.

2. Tegenwerping: De Heebe heeft Adamsval wel geweten maar met besloten.

Antw. Dan moet noodzakelijk volgen, dat er een tweestrijd kan bestaan m de heilige deugden en volmaaktheden Gods, wie toch zou met schrikken en beven de heilige deugden Gods te loochenen de Heebe spreekt zoo duidelijk: „Mijn Baad zal bestaan ende Ik zal al mijn welbehagen doen" Jes. 46: 10. „Die alle dingen werkt naar dm raad Zijns willens". Efeze 1:11.

Sluiten