Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar leest eens wat de mond der Waarheid er van getuigt; „ende hij en ging niet." O vrienden! geeft maar acht, allen die nooit een nieuw hart of inwéndigen lust ontvangen hebben, spreken van plichten en doen, doch het is maar een geraamte, doode vorm, een blinde ijver in een nieuwmodischen godsdienst, en die zij diep ongelukkig nog bij den Heëee in rekening brengen. Matth. 7 : 22, 23. Daar Christus van getuigt: „Ik en hebbe uwe werken niet vol gevonden voor God." Openb. 3 : 2. Alle die werklieden zullen eenmaal aan de linkerhand staan, en het ontzettend vonnis hooren: Gaat weg van Mij gij vervloekte in het eeuwige vuur" enz. Matth. 25:41.

De andere zoon in Jezus' gelijkenis, zijn de uitverkorenen door de ster uit Jacob nl. Christus verstoord en beroerd. Num. 24 : 17; Job. 3:26. Daar den Heerb beroert, wie zal dan stillen, o neen, die breken gelijk de melaatsche door alle verbod en tegenstand heen. Matth. 8 : 2. Door de zoodanigen ^wordt het koningrijk der Hemelen geweld aangedaan" Matth. 11 : 12. De Heere Jezus zegt dat „Zijn uitverkorenene dag en nacht tot Hem roepen." Luc. 18:7. Dit vloeit uit Gods absolute verbondsbeloften: „Zij zullen komen met geween en met smeekingen zal Ik ze voeren." enz. Jer. 31 : 9. „Een iegelijk dan die het van den Vader gehoord en geleerd heeft die komt tot Mij" Joh. 6 : 45. Maar zy schryven gelukkig op al hun werken de dood, dit blijkt duidelijk ten jongsten dage zij hadden niets gedaan, als de Koning tot hun zal zeggen: „komt gij gezegenden Mijns Vaders beërft dat Koningrijk 't welk u bereid is van de grondlegging der wereld." Matth. 25 : 36.

6. Daar is nog eene voorzichtigheid van den vader der leugenen uitgevonden, om de leer van Gods eeuwige besluiten te ontzenuwen, omdat het de eenige troostleer is voor Gods keur- en bondvolk in leven en sterven, dien het als een souvereine vrye verbondsgifte geschonken is geworden, (niet als eene schriftuurlijke waarheid) door inleiding des H. Geestes, hunne namen te lezen in het boek des levens, dat hunne zaligheid reeds in de nooitbegonnen eeuwigheid al uitgewerkt is, hierover verheugde en dankte Jezus Zijnen Vader, dat Gy „deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt." Luc. 10 : 21. Daar de werklieden zich aan ergeren, dat is de troost van het in zich zeiven doodarme volk Gods, moesten zy' nog eene reine zucht ten Hemel doen opstijgen, eene traan in Gods flessche storten, een penningsken van hunne" tienduizend talent ponden schuld betalen, eene aanklacht van den verklager der broederen weerleggen, het was verloren; voor dit gansch ontbloot» volk wordt het zalig worden hoe langer hoe meer een wonder boven wonder groot; het lichtzinnige en juichende Christendom, dat noch Gods deugden, noch zich zeiven kent, noch de eeuwige zaligheid gesmaakt heeft, kan zich alles zeer gemakkelijk, doch helaas! op losse gronden toeëigenen, zy verachten, ja bespotten de levende zielsklachten van Gods kinderen, als zie-

Sluiten