Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ook de belijdenisschriften der Gereformeerde kerken zijn op dit punt glashelder.

Vergelijk slechts vraag 74 van den Heidelbergschen Catechismus ; de Nederlandsche Geloofsbelijdenis Art. 34, het laatste Gedeelte ; de leerregels van Doftrecht tegen de Remonstranten Hoofdstuk 1:17.

Voorts gaan ook onze Liturgische geschriften hiervan uit, wat uit den aard der zaak zeer duidelijk uitkomt in het formulier van den kinderdoop. Zoo ook doet het onze Dortsche kerkenordening in zake de bediening van den H. doop in Art. 56 wel gevoelen.

Onze kinderen zijn in hel Verbond Gods begrepen, omdat de Heere hen liet geboren worden uit ouders, die in Zijn Verbond begrepen zijn; zij worden daarom als lidmaten der gemeente aangemerkt, en hebben uil kracht daarvan recht om het teeken des Verbonds te ontvangen.

Bit staat dus wel vast: lidmaat wordt men niet doordien men gedoopt wordt óf doordien een kerk ons aanneemt óf doordien men belijdenis doet.

De kerk is geene vrije vereeniging of collegiaal genootschap.

Be kerk is eene stichting Gods.

Naar hare onzichtbare zijde omvat z'j alleen de uitverkorenen : die zijn de .lidmaten der kerk; die alleen vormen saam het mystieke lichaam van Christus.

Naar hare zichtbare zijde behooren tot haar gerekend te worden allen; die uit haar schoot geboren zijn, en, voor zoover zij tot onderscheid des verstands komen, den Heere belijden en dien overeenkomstig dienen.

Door de bediening van Zijn verbond eigent God Zijne uitverkorenen toe, wat zij in Christus hebben.

Hij doet dat door Christus; Christus doet dat door den H. Geest; de II. Geest doet dat door de kerk; de kerk eindelijk doet dat door hare bediening van Woord en Sacrament.

Allen, door God onder den band van Zijn Verbond gebracht, moeten wij , tenzij duidelijk het tegendeel blijkt, voor uitverkorenen , voor geloovigen , voor lidmaten der kerk houden.

Waar geene uitverkorenen zijn, komt Gods Verbond niet en ook geene kerk met hare bediening.

Sluiten