Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

©att £e&ez, heitl

„Komt, hoort toe, allen gij, die God vreest, en ik zal vertellen wat Hij aan mijne ziel gedaan heeft."

Aldus lezen wij in Psalm 66, en met die woorden gaf de Dichter te kennen, dat het hem eene behoefte des harten was om aan anderen en allermeest aan hen, die God vreesden, mede te deelen wat de Heere hem had doen ondervinden.

En zooals het dien Psalmist ging, — zoo gaat het nog. Wanneer wjj ons met het een of ander gelukkig gevoelen; wanneer wij meenen boven anderen bevoorrecht te zijn; wanneer wij reden hebben om ons in het een of ander te verheugen, dan is het ook ons eene behoefte om anderen daarvan deelgenoot te maken; dan rusten wij niet, voordat ook onze vrienden en bekenden uit onzen eigen' mond hebben vernomen wat ons zoo gelukkig maakt; dan hunkeren wij naar het oogenblik, dat wij in de gelegenheid zullen zijn om het vol gemoed voor anderen uit te storten. En wanneer dan die anderen in onze vreugde deelen; wanneer wij ook naar hunne meening werkelijk reden hebben om ons te verheugen; allermeest, wanneer zij in meer of mindere mate iets gevoelen van hetgeen wij gevoeld, genoten en ondervonden hebben, dan wordt onze blijdschap verdubbeld.

Ja, in dat mededeelen van iets, waar het hart vol van is, — daarin ligt een eigenaardig genot, dat men alleen bij ervaring recht kan leeren kennen en smaken. Het verwondert ons dan ook volstrekt niet, dat een vader de woorden van Psalm 66 met eene kleine wijziging herhaalt en zegt: „Komt, luistert toe, allen gij, die God vreest, en ik zal u vertellen wat de Heere aan de ziel mijns kinds gedaan heeft."

Het was den schrijver van de volgende bladzijden eene zeer verklaarbare behoefte des harten om het smartelijk lijden en Godverheerlijkend sterven van zijn zoontje in ruimer' kring bekend te doen worden, en om daartoe te geraken wendde hij zich tot ons. Wij lazen zijn eenvoudig, onopgesmukt verhaal en vonden toen geen vrijheid om de uitgave van het werkje te weigeren.

Sluiten