Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Neen, daar konden vader en moeder niet aan denken! Maar Gods raad zal bestaan, en Hij zal al Zijn welbehagen doen. Toch bleek het ook hier, dat de mensch maar al te vaak tegen de besluitenGods gekant is.

Intusschen werden de gebeden en verzuchtingen verdubbeld, en wij mochten voor ons kind werkzaam blijven.

Maar zou er dan volstrekt geen raad meer voOr onzen Piet zjjn ? Zouden wij het nog niet eens bij een' anderen geneeskundige beproeven ? Och, wat is toch de mensch! Wij zagen den weg zoo afgesneden, en toch hielden wij ons aan een' stroohalm vast. En voor de derde maal werd het ons verzekerd, dat de toestand hopeloos was.

Intusschen stegen de smarten van den kranke al hooger en hooger. Hij was wel jong, maar zeer verstandig en opmerkzaam, zoodat hij zeer goed begreep, dat al de pogingen, die tot zijn herstel werden aangewend, vruchteloos waren. Hij zeide dan ook weieens: „Zóó komen wij er niet!" En dan antwoordden wij: „Lief kind, laten wij te zamen maar weer eens bidden!" — „Ja, vader, de Heere is het toch machtig."

Onder al zijn strijden en lijden was er toch nu en dan eene kleine verademing. Zoo had hij het op zekeren tijd eens zeer benauwd, en toen sprak hij: „Vader, wat denk je, dat mij maar gedurig voorkomt?" — „Ik weet het niet, mijn kind." — «Biddende waren zij van druk bevrijd." Waarop ik antwoordde: „Er is Anders gèen weg van behoudenis, en die woorden staan in Psalm 22." — „Nu zullen de vijanden toch zeker wel wat tot zwijgen .gebracht worden!" — hernam hij.

Maar neen, de eigenliefde was zoo groot! Och, wat moeten wij toch doen? Zoo overlegden wij bij onszelven. Daar viel het ons in, dat wij ongeveer drie maanden geleden hadden hooren spreken van een' dokter, die zeer knap moest zijn. Als wij dien ook nog eens ' raadpleegden! Wij deden het! Maar God regeert. Hij blijft getrouw en werkt alles naar den raad Zijns willens.

Die dokter kwam, eensdeels tot ons ongeluk. Ook hij onderzocht den zieke en zeide, dat er nog wel herstel mogelijk was. Dat klonk ons wonderlijk in de ooren. Maar de Heere had wat anders voor ons kind weggelegd. De tijd zou welhaast aanbreken, dat hem eene grootere begeerte zou geschonken worden. Want hoewel in het zoeken en bidden de zon niet altijd voor hem verborgen was, — toch moest er zich nog iets anders voordoen.

Sluiten