Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij was nu geworsteld tot den dertienden April 1887. En ziett daar rijst de zon van vreugde en blijdschap, hoewel hij den lieven Heiland nog niet kende. Dat werd bewezen, toen hij tegen mif zeide, dat hij eenige dagen geleden geroepen was geworden met zijn' eigen' naam.

Piet! — Dat geschiedde tweemaal. En hij vroeg mij : „Vader, zou dat ook kunnen zijn evenals bij Samuel?" En ik antwoordde hem: „Als ge die stem nogeens hoort, dan moet ge evenzoo doen als Samuel." — „Wat deed die dan, vader?" — „Wel, mijn kind, Samuel was jong en kende de stem des Heeren niet. Maar zijn vader zeide: „„Indien ge die stem nogeens verneemt, dan moet ge zeggen: spreek, Heere! want Uw knecht/hoort."" Doe gij ook alzoo!"

Zoo is dan die stem niet meer door hem gehoord vóór den dertienden April. Maar toen heeft de Heere Zijne vleugelen over hem uitgebreid. Zijn lijden was zeer zwaar, en de angsten waren zóógroot, dat groote zweetdroppelen hem op het gelaat parelden. Toen begon hij den Naam des Heeren aan te roepen, zeggende: „Och, Heere! Gij hebt toch zelf gezegd: „„Laat de kinderkens tot Mij komen, en verhindert ze niet!"" Och, Heere! ik zal U niet meer loslaten!" Er was heilige ernst in zijn gebed. En toen zeide hij tegen mij: „Vader, wij zullen nog psalmen moeten zingen."

Maar, ach! daar deed zich nog iets bitters voor. Mijn kind moest uitroepen: „Vader! daar komt de duivel op mij aan; hij knarst op zijn tanden! Och, kon ik maar in een ton kruipen!"

Toen ging hij weder aan het bidden en smeeken, en na een half uur worstelens riep hij: „Vader!" En ik zeide: „Wat is het mijn kind?" — „De Heere heeft geantwoord, en nu weet ik, dat mijn deel is aan de rechterhand van Christus." — „Geloof je dat, mijn kind?'' — „Neen, maar ik weet het zeker!"

Toen daalde eene eeuwige verwondering in mijn hart, en we hebben dien nacht grootendeels doorgebracht met te schreien over

zulk eene weldaad. Waar de ouders den dood verwachtten, daar

schonk de Heere het leven. séÈÊgll

„Och, vader!" — zoo sprak de jeugdige strijder daarop, — „nu kan ik niet meer. Laat ons nu nog maar eens bidden of het den Heere behagen mocht mij nog een weinigje te verkwikken!" En

Sluiten