Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uitgalmen, wenkte Piet zijn' broeder, dat hij hem een doekje en een kopje met water moest geven.

Wat zou hij nu gaan doen? Spreken kon hij niet, en zichzelven rechts of links te wenden, — daar was geen denken aan. Hij ging zich wasschen, en wel zóó schoon, dat de toeschouwers er verwonderd over waren.

Wat, hiermede zijne bedoeling geweest is, — dat kunnen wij niet met zekerheid zeggen. Maar vraagt gij onze gedachten, dan gelooven wij, dat het zijne bedoeling was om zich als eene reine maagd den Heere voor te stellen, want straks gaan de gordijnen der eeuwigheid open, en onze lieve Piet zal niet meer zijn.

Och! onze harten zijn bedroefd en verheugd over de eeuwige weldaden Gods, bewezen aan een zoo arm dolend schaapje in de woestijn van deze wereld. Wij mogen gelooven, dat hij rijdende was op de trouw wagens van den eeuwigen God, hetwelk ook hieruit bewezen werd, dat hij gezegd heeft: „Vader, ik heb den Heere gebeden, dat Hij uwe droefheid zal matigen.''

Wat eene roepstem van den hemel tot ons, die overig zijn, hoe de Heere altijd voor het Zijne zorgt; Hij geeft smartvolle bekers tOt den laatsten droppel te drinken, maar Hij schenkt ook Zijnen eeuwigen zegen, want Hij heeft het zelf gezegd: „Mijnen vrede geef Ik u; Mijnen vrede laat Ik u."

En nu, ouders en kinderen, die dit leest, waar de Heere Zijne liefdevolle hand over dit kind heeft uitgestrekt, — bidden wij Hem, dat Hij Zijne genadegaven nog moge vermenigvuldigen om Zijns zelfs wil! Want, o, medereizigers naar de eeuwigheid, het is bewezen, dat het niet genoeg is of men al zegt: „Ik geloof!" Neen, wij moeten een duidelijk antwoord uit den hemel hebben. Want al mochten wij aangegord zijn met de worstelinge Jakobs, — toch heeft de Heere het hem geschonken te overwinnen in Zijne kracht.

Nu, wij berusten in hope, want Hij, die het gezegd heeft, is getrouw en zal Zijn eigen werk volvoeren tot op den dag van Jezus Christus.

Een weinig later wenkte Piet zijne moeder, die aan de tafel zat, en zeide: Wat denk je, dat ze nu nog zeggen?"— „Ik weet het niet, mijn kind!" — „Dat ik nog een' harden dood zal hebben!" — „Kind, bid dan maar!"

En na nog een half uur gebeden en tot den Heere gezucht te hebben, sprak hij: „Moeder, het zal wel gaan!"

Sluiten