Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Profeet ezechiël verhandelt in het eerste deel van •dit Capittel, vers 1—14, den toestand van het Joodsche volk, hetwelk te dier tijd was als dood, en als geen volk meer; want de Koning van Babel had jojachim met vele Joden, waaronder ook ezechiël was, gevangelijk doen wegvoeren naar Babel, terwijl jeeemia, met andere Joden, nog was gebleven in het Joodsche land, onder den Koning zedekia ; doch zoowel de weggevoerden als degenen, die nog gebleven waren, bleven onder den dienst van de voornoemde Profeten even hardnekkig; waarom dan hunne staat aan den Profeet vertoond werd als eene vallei vol beenderen, vers l, zoo dor als de beenderen van verstorvene menschen, zoo vele, en leggende zeer dor op den grond der vallei, vers 2. Over deze dorre beenderen vraagt de Heer aan den Profeet, vers 3: Menschenkind, zullen deze beenderen levendig worden ? en de Profeet antwoordde: Heere HEERE, g>j weet {het). Waarop God tot den Profeet zeide: Propheteert over deze beenderen: en na zijn last verkondig^Jhij hun levendigmaking, zoo ten opzigte van hunne verlossing uit Babel, als ten opzigte van hunne geestelijke verlossing nit de slavernij der zonden door den Geest en het Bloed van den Messias, vers 4—7. Op die profetie volgde dan een geluid, schuddig, beving, beroering, en de beenderen naderden elk been tot zijn been, vers 7. Daar kwamen ook over die vereenigde' beenderen, zenuwen, vlecsch en een huid, maar daar en was geen Geest in haar, vers 7, 8; al hetwelk beduidde den slechten toestand van Gods volk, en hunne onmagt, om zichzelven levend te maken, doch ook Gods magt om hun te verlossen, al waren zij nog zoo doodig: want wegens hunne ligehamelijke dienstbaarheid wist hij een cokes te verwekken, die hun zoude laten wederkeeren uaar Jeruzalem. En dewijl de Babylonische gevangenis een zinnebeeld was van de3 menschen geestelijken dood,

Sluiten