Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toen ik in het begin van December 1880 van mijne reis van Brouwershaven te Rotterdam aankwam, kreeg ik order, met mijn lading naar Amsterdam te varen, alhoewel mij dat zeer goed aanstond, want ik kreeg een buurman, die ook een eerste vriend van kaartspelen was, dus dat zoude voor mij eene pleizierige reis zijn; en in eene vreemde stad, waar ze mij zoo goed niet kenden van persoon. Maar neen. De algoede God dacht een andere weg uit, die onberouwlijk is, en tot mijne eeuwige gelukzaligheid verstrekte.

Hier gevoel ik mij verplicht de lankmoedigheid van God groot te maken, en hier niet over heen te gaan: Want de list van den boozen was groot, en van onze zijde schijnt het onmogelijk, hoe de goede God het kon dulden, zooals wij- de reis voortzetteden.

Des morgens te Gouda omstreeks tien uur aankomende, zoo was er veel opperwater en veel schepen, dus de Satan voer in Judas. Zoo ging ik de wal op om de courant te lezen, zoo het bij velen de naam draagt: Dus zeide ik tegen mijn makker, kom, wij zullen vandaag maar een stevig borreltje drinken. O mijne geliefden, tranen van berouw ontvallen mij, en toen de drank de overmacht begon te krijgen, kreeg ik eenigen twist met eenen anderen schipper, zoo moest de beker volgedaan worden, met vloeken en Gods Heilige Naamslasteringen, waarbij onze jongste broeder Abraham mij stond aan te staren. Groot is Zijne lankmoedigheid. Aan boord komende, wat eten en zoo dadelijk weer de kaarten op tafel als of het mijn bijbel was.

Groot was in dezen Zijne lankmoedigheid en goedertierenheid. Zoo voer ik dus naar Amsterdam, daar gekomen zijnde, verrichtte ik mijne zaken; des avonds dus zoude ik Amsterdam eens waarnemen; maar daar mankeerde iets aan. Ik had geen makker, die ik zoo gaarne wel bij mij gewenscht had; mijn vriend P. Zooals de duivel nooit genoeg heeft, om een • man naar het verderf te sleepen, want hij heeft er liever tien dan een; zoodat mijne lust zeer verzwakte. Ik niet gerust zijnde: (want mijn buurman was getrouwd) dus die ging naar Friesland, zijne oude moeder bezoeken, zoodat intusschen de dagen aankwamen, dat de Zaligmaker moest geboren worden; den eenigen waren Zaligmaker -— Jezus Christus: in de beestenstal, in doeken gewonden en nederliggende in de kribbe. Zoo behaagde het den Eeuwigen en Drie-Eenigen Verbonds-God toen, ook mij uit de duisternis te trekken tot Zijn wonderbaar licht, alhoewel dat ik de belofte, door mij later ontvangen, vervuld werd in mij: uit Jezaja 45 vers 4. Toen toenaamde ik u alhoewel gij mij niet kende: Zoo zal ik u nu nog eens verhalen hoe of het toen toeging:

Ik nu in de hoofdplaats van Nederland zijnde, ging ik naar de Nieuwe Kerk, om de graftombe te zien van onzen Vaderlanschen zeeheld: Michiel Adriaansz. de Ruiter, maar wachtende tot de Kerk uitging, zoo dwaalde ik Amsterdam door, tot ik het Volkspaleis en andere goddeloosheden bezocht had en het mij goed dacht, op Gods Heiligen Rustdag naar het paardenspel te gaan. Aldaar was een zoogenaamde watergodin te zien, zoodat ik dus mijn plan ten uitvoer bracht, en zag dit goddeloos tooneel aan tot ik het des nachts verliet. Ik lag met mijne tjalk er vlak tegen-

Sluiten