Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was. Die goeddoende God, die alles weet en ziet, en alle harten neigt als waterbeken, Bestuurder van het heelal, bestuurde het anders.

Daar aan boord gekomen, vond ik ze daar allen gezond, dat eene groote weldaad was. Het gesprek aanvangende, begonnen zij te spreken over Carolina, dat mij zwaar op het hart gedrukt werd. Ik barstte het uit in tranen, dat ik zoo ongelukkig was, niet wetende dat het omgekeerd was. Met mijne broeder Jacob, die ik daar ook ontmoette ging ik mede naar boord. Op de Leuvehaven gekomen zijnde, kwam de goede en weldoende God met Zijn dierbaren Geest in mijne ziel; die plaatsen vergeet men' niet ligtelijk.

Toen barstte ik uit in tranen, en zeide: ach Jacob! waar moet het heen, en nog meer andere woorden, die ik met juistheid niet meer kan beschrijven. Hij antwoordde en zeide: Jan als dat zoo is, laat u dan maar vangen van God. Toen barstte ik nog te meer uit, en mijn broeder zeide, Jan, denk er om ! omdat hij verlegen werd. Maar zie hier mijne geliefde broeders, als God met Zijn Geest in de ziel is, wie zal dit kunnen weerstaan? O mogt het u allen ten deel vallen, gij zoudt het niet alleen verstaan, maar ook gevoelen. Daarop antwoordde ik: Zou ik voor zulk een God zwijgen, die mijn adem in Zijne hand heeft? Neen ! al stond de Koning voor mij. Aan boord komende, spraken wij nog eenige woorden met elkaar, waarop zijne vrouw kwaadaardig wërd, en de slaapkamer dicht sloot. Dit was eene ontsteltenis van binnen, hoewel mijn broeder geloof ik, andere gedachten had. Zie hier mijne geliefde Broeders en Zusters, ach zie hier, O! dat de goede God, u oogen gave om te zien. Die God die ik in mijn vorig verhaal zoo verdoemd had, daar kon ik nu niet van zwijgen tot Zijn eer. En Hij is het waardig! Hij is de Koning der koningen, Hij alleen is God O Jacob neem het ter ooren, en merk op de weldaden des Heeren. Zoo verliet ik mijn broeder Jacob, en ging naar boord daar ik met mijn vaartuig aan het nieuwe werk lag, niet alleen van boord gaande want hij die duizende zielen naar de hel sleepte, was er ook. Wat ik mij verbeelde, waren maar inwerpselen van mij zelve, „gij hebt nog geld in uw zak," gaat de stad in, als gij morgen ochtend maar aan boord zijt, dan is het tijd genoeg. Ik begrijp niet, zoo een jonge kerel; die niets in den weg heeft. O mijne geliefde Broeders, duizende gedachten waren in mij, dat het te veel is met de pen, om te beschrijven: Maar Hem alleen komt de eere toe, en de overwinning die mij te sterk was. Ja die met Zijn medelijdend oog op mij neder zag, trok mij, met Zijne eeuwige liefdekoorden naar het schip «heen. Dicht bij komende zeide hij, die leugenaar van den beginne, daar zou iemand in mijn achteronder zitten, die zou mij met mijn eigen revolver doodschieten, want die was geladen, want als men den Satan dient, dan hebben wij kruid en lood noodig om den vijand te weren.

Daar stond ik aan boord en durfde niet in mijn verblijf te gaan, mij totdat mij de Heere Jezus zag staan, mij arme zondaar, en die het weder niet kon dulden, met Zijne eeuwige liefde, dat ik verdrukt lag onder de macht der duisternis. Neen! Ik zeide, Heere bewaar mij toch! Gij alleen kunt mij bewaren. Toen gevoelde ik de kracht van Zijn dierbaar Woord. Eer zij roepen zullen, ben Ik bij haar. Ik trad toen binnen, gerust zijnde, en bemerkte niets. Daar stond hij nu met zijn leugen. Toen viel ik voor God op mijne knieën, biddende en dankende, mij onder mijn gebed, nog bang makende: Tot ik tusschen mijne woorden uitriep: 0 Heere! Verlos mij toch van den Booze! toen eindigde ik, blij zijnde dat ik binnen was. De Satan zeide mij, dat ik niet anders deed, dan aan God bidden, en die is veel te heilig om aan te bidden, en dat ik er wel over dacht, dat het heel wat te beteekenen had, maar

Sluiten