Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat het niets was. Ik moest naar Jacob gaan zeide hij, en zeggen dat hij het voor hem moest houden, dan zou het nog al losloopen en het bleef dan tusschen ons beiden.

Ik sliep in, nadat ik er alweder tweemaal uit geweest was, en mijn kasten nagezien had. Des morgens, door des Heeren zegen alweder, ontwaakte ik, en bad God door zijnen geest vuriglijk aan, dat Hij mij toch bekeerde, en dat Hij die alle kracht heeft, mij toch wilde bewaren voor de zonde, en dat Hij mij den rechten weg wilde leeren. De woorden waren nog niet koud, of duizende gedachten kwamen weder in mij. Maar God zegt: Ik zal het steenen hart uit u wegnemen, en geven u een vleeschen hart. Het was Gods Heiligen dag — Zondag —. Ik kreeg zulk een lust om naar de Kerk te gaan, maar ik werd verhinderd om reden, dat er een schip uit het dok gehaald moest worden. Daar mijn aandacht viel op het draaien van de brug, dat zooveel menschen in ' de weer moeten zijn, op dien dag. Hoewel de booze ook wel weet, dat ik, een arme zetschipper, die gemeente en overheden niet kon dwingen, en porde mij wel aan des Zondags niet te verhalen. Maar de goede God bewaarde mij dat ik het zonder moeite deed, dus ik bleef thuis. Maar wat gebeurt er. Ik vroeg aan Abram of er 's avonds ook Kerk was, en die zeide van ja. Tot schaamte moet ik zeggen, dat ik in geen jaar ter Kerk geweest ben. Nu kwam de goede God mij beproeven, door een oude kameraad van Duiveland, G. genaamd. Ik zat koffie te drinken oni dan naar de Kerk te gaan, de tijd al naderende met een beangst hart. Zittende moest het er uit komen. Kom, ik ga na de Kerk, waarop hij antwoordde, dan ga ik zoover met u mede, vermeenende, dat ik dat uit een schijn zeide, aangaande mijn broeder. Zoo gingen wij verder de wal op. Wij waren nog geen tien schreden gegaan, of daar zeide hij, gij gaat toch zeker niet naar de Kerk? Dit viel als een donderslag op mijne ziel. Ik wachtte en zeide, ja zeker, dan kan u dezen weg ook gaan, doch hij sleepte mij weder zoover mede. Maar God had er Zijn wijze raad mede, ik moest leven. Daar kwam ik voorbij die huizen, waar ik voor dezen mijn pleizier en wellusten in had en voor zoo een huis komende, zeide hij — kom laat ons hier ingaan. ' Maar toen gaf de goede God mij oogen om te zien, hoe ik daar voorheen mijn verderf gezocht had, dus wij scheidden en ik ging naar de Kerk. O geliefde, die groote en algenoegzame God, groot van goedertierenheid en lankmoedigheid, Hem alleen komt de eere toe. Zoo in de Kerk komende had de doniiné den tekst al opgegeven. Maar daar smaakte ik een heilrijk lot, want ik was als een hijgend hert, dat schreeuwt naar de waterstroomen. Zoo dorstte mijne ziele tot U o God! Ik verliet de Kerk, en de Heere versterkte zoo mijn geloof, dat ik mij zelve met kon aandoen, o neen ik kon dit niet, ik kon- mij niet weerhouden, o dat was onmogelijk Neen de goede God was mij arme zondaar genadig geweest. Weg duivel! weg helle; wat zal ik God vergelden, ik, de goddeloosste op aarde. Na zoo een ommezien was het onmogelijk en toch gevoelde ik het dat ik moest uitroepen: Duizendmaal dank, o lieve Heere Jezus, Gij hebt voor mij geleden op Golgotha, voor zoo een verloren arme zondaar. Het is met geen pen te beschrijven. O! mijne geliefde Broeders en Zusters de Heere van Hemel en Aarde schenkt u Zijn vrije genade, niet om geld, niet uit ons zelf, maar alleen door Zijne barmhartige liefde. Maar toen, mijne geliefde Broeders, neen toen was het met: ik zal naar Jakob gaan om het te zwijgen, neen, neen, o neen ik zal gaan en zeggen : Broeder, groot is Zijn goedertierenheid, looft Hem, wees blijde met mij, vertel het maar, wat God aan mijne ziele gedaan heeft. Nu moet ik zeggen: tot hiertoe heeft de Heere mij geholpen.

Sluiten