Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mij dit alles genadiglijk verleent. Kom, Broeders en Zusters, wacht op het eind van 's Heeren wegen.

Toen ik verder, door Gods hulp te Brouwershaven aankwam, stonden daar al mijne Broeders op den dijk, om mij de behulpzame hand te bieden. Zoo zag ik daar weder Gods goedertierenheid; ik zag ze aan of ik haar toe wilde roepen: ik heb gevonden den Messias, Jezus van Nazareth. Ik kwam in de haven, maar had daar geen water. Nu ging ik van boord en liep naar onze geliefde moeder en riep uit: Moeder! groot is Zijn goedertierenheid, want mijne zonden zijn vele. Toen kon duivel, noch helle, noch macht mij houden, want God had Zijne eeuwige liefde in mijn hart, met Zijn liefderijke Geest, uitgestort. Ach, Moeder riep ik. Des Zondags morgens was ik naar de Kerk geweest en daar mijn kameraad, Piet de Boer zien zitten. Ik zag hem met medelijden aan; en daar werd ik zoo schuldig, toen ik hem met waarschuwde. O! dat moest ik doen en de goede God schonk mij zooveel kracht en hulp, dat ik, toen ik aan boord kwam, zeide: Moeder, het is Gods stem geweest, die mij dat bekend gemaakt heeft. O! mijn geliefde Vader, Moeder, Broeders en Zusters: Zalig zijn ze die geloofd zullen hebben ; zoo ziet men, dat geloof een gave Gods is: niet gezien nogthans geloofd. Ik riep uit, aan mijne Moeder: ik zal het zeggen en zal hem roepen in mijn achteronder en op^nijne knieën voor God nedervallen en vertellen wat God aan mijne ziel gedaan heeft. O! groot is Zijne goedertierenheid en wonderlijk zijn Zijne wegen. > Dien dag was ik bij mijne Moeder aan boord. Ik vroeg: gaat gij van middag naar de Kerk? Zij antwoordde: neen. Daarop zeide ik: dan blijf ik maar bij u. O ! wonder, o! wonder, groot is Zijn genade. Zoo zaten wij te zamen in het boek van Mijsras te lezen. Daar kwam er een aan het dek. Moeder kijkt, en het is Piet de Boer met de vraag is Tan hier? Ja antwoordde mijne geliefde Moeder. O! daar kwam wat in mijn binnenste los: Spreek hem nu, want nu hebt gij hem hier. Maar ik konde niet, zoodat mijne zuchten en gebeden opgingen tot den levenden God, dat mij een traan ontviel. En God maakte mijn tong los en opende mijnen mond, en God schonk mij Zijn geest en toen kon ik hem vertellen, wat groote dingen God aan mijne ziel gedaan heeft en ik viel voor hem neder, zooals ik voor God neergevallen was, met mijne handen naar den Hemel: Ach Heere! wees mij, arme zondaar genadig. Toen gaf God mij het gezicht. O! merkt op. Ik zeide wat God mij bevolen had in de Kerk, maar zeide ook, nu zijn het mijne woorden, maar de goede God heeft het behaagd mij te doen spreken. Nu behoefde ik hem niet te roepen, want God leidde hem naar mij toe en dit zeide ik hem Nu was mijn-geloof nog niet genoeg, maar nu toonde en belietde het de goede God van Hemel en Aarde, mij het nog door Zijnen mond te hooren uitspreken, want groot is Gods goedertierenheid, Hij zeide- Ta het is opmerkzaam, want zij hielden zóó aan bij mijn meisjes ouders, om naar de Kerk te gaan. Doch ik zeide, dat ik het van middag niet deed, dat anders mijn vaste gewoonte was, en dat ik eens naar jan toe ging. Zoo ziet, mijne geliefde Broeders, dat zijne schreden zich naar mij toe wenden, want God moest door mijn mond tot hem spreken. Nu dank ik U o! algenoegzame Vader van Hemel en Aarde, die den Hemel tot Zijn Troon heeft en de Aarde tot de voetbank Zijner voeten, die den armen en verloren zondaar genade schenkt, en den nooddruttigen spijzigd uit Zijne hand, die den blinden zijn oogen opent, en den gebogenen opricht. Zie dan zoo in gunst op ons neder, en .verstokt ons in Uw geloof, en schenk ons een rein hart, en vernieuw het binnenste dat in mij is, en schenk ons een vaste geest. O! Algenoegzaam Vader, vergeef ons onze schulden, en rekent ons de zonden niet toe, en

Sluiten