Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geeft mij Uwen onmisbaren zegen, en voortdurende genade, en opent mijne oogen en verlicht mijn verstand, en schenk haar, die nog van U vervreemd zijn, Uw Goddelijk Licht want door uw Licht zien wij het Licht, en zie zoo in genade en vol liefde op haar neder, dat zij U leeren kennen en dienen, dien Eenigen en Drie-eenigen God, Vader, Zoon en Heiligen Geest, Amen.

Geschreven den 2in April. Langszijde van het barkschip „Eduard Barrow" die ik later, zoo de Heere wil, nog wel zal vermelden.

Zoo moet ik u melden en mag het niet nalaten om Zijn eeuwige goedertierenheid en goedheid groot te maken, daar Hij met Zijne beloften is voorgekomen: Ik zal ü geven den Gouden Kroon, dit was mijn eerste belofte, dien ik van God ontving. Och, die was niet voor mij, dat kon ik niet aannemen, ik den Gouden Kroon, dien ben ik niet waardig, o! neen dat is voor mij niet, zoo een onwaardig goddeloozen zondaar, dat heb ik niet verdiend, die ben ik niet waardig. O, Heere! Maar God schonk mij het geloof en den Heere Jezus bood mij den Kroon, maar dien dank, dat is beter te gevoelen, dan uit te spreken of op papier te zetten en ik zal u met groote kracht voortzetten.

Als het mij duister werd, dan maande ik den Hemelschen Vader op: ach Heere, gij hebt het mij toch beloofd, Gij zult mij met groote kracht voortzetten. O, Lieve Heere Jezus, zend Uw kracht en hulp van Uwe hand neder. * De Goede en Getrouwe, die niet wankelt, verschafte mij veel hulp-. Ik zat eens in de banden van den Satan en ziet, een zwar| manspersoon liep al heen en weer voor mij en daar zag ik brand opgaan gelijk een brandende oven, die voor mijn bedstede al heen en weer ging, met de allergrootste vloeken en de Heilige naamslasteringen, ik voelde mij zeiven niet meer. Ik zag, en kon niet roepen, zoodat ik dat moest aanzien. Maar Hij, Die trouwe houdt in eeuwigheid, beliefde het, mij te komen versterken, zoodat ik uitriep: O, Lieve Heere Jezus, help mij, red mij. Toen week hij uit, en ik kreeg die woorden uit Psalm 66. God baande ons door de woeste baren een pad. Meer kreeg ik niet, maar het was genoeg. Dien dank en lof, dien ik toen die goede en getrouwe Herder toekende, dat is niet om uit te spreken. Toen zag mijn achteronder zoo schoon als ik het ooit gezien had. Maar nu dacht ik, dat ik van Hem af was, maar toen was het, waar ik die getrouwe en lieven Heere Jezus voor gedankt had, voor mijn verlossing en gejuicht in mijn ziel en hart, dat waren al maar denkbeelden, want God geeft geen half vers uit-den Bijbel, God is een God van orde, dus mijn verbeelding was meer als ik wel wist. Zoodat ik weder van Hem werd aangegrepen. Maar laat mij even toe, om op het halve werk van Gods vrije genade terug te komen. Daar die leugenaar mij weer kwam drukken, en mijne ziel niet versterkt was, dacht ik, dat ik 's morgens niet zou kunnen opstaan, 's morgens gaf God mij het overige van het vers. Ik had aan vader gevraagd waar het stond. Daar gaf God mij zijn overig beves.tigingswerk:

'"^fgfe^" God baande door de woeste baren, En breede stroomen ons een pad, Daar rees Zijn lof op snaren

Nadat Hij ons beveiligt had. enz. O mijn hart, mij dunkt ik voel nog de liefde. Toen moest ik gelooven dat het van God was. Die twee regels, hier boven staande, zal ik vervolgens, als het God belieft, mij door Zijn geest te ondersteunen. Dit

Sluiten