Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ik met een oprecht hart, U mag leeren bidden, O lieve Heere Jezus, wees toch mijn Leidsman, en dat ik toch niet op menschen vertrouwen stel maar dat ik alleen op U mag leeren steunen en leunen, ach lieve Heère Jezus, schenk mij toch meer en meer op U te leeren vertrouwen, versterk mijn geloof en wek mij op uit mijn slaap, o God en laat Uw alziend oog mij bewaken en door Uw Goddelijk licht bestralen en schenk mij Uw voortdurende genade, om Jezus Chnstus wille. Amen.

Des morgens werd ik door mijn lieven Leidsman gewekt met eene duidelijke stem- Jan Ik was nog nooit, zoolang ik leef, zoo in eens wakker geweest waardoor ik met dezelfde vlucht aan 't dek was. Daar zag het in mijne oogen er bedroefd uit; stil en in de wind en tn stroom. De indachtig makende lieve Geest overtuigde mij. Dus ik ging naar mijn Bethel en smeekte Hem ootmoedig met een verbroken hart en verslagen geest: Ach mijn God, Gij die den Hemel hebt tot Uwen troon en de Aarde tot een voetbank Uwer voeten, Gij kent mij en beproeft mij, Gij weet mijn zitten en mijn opstaan en kent van verre mijne gedachten. Gij weet hoe of ik voor Uwe heilige oogen hier nedergeknield lig en laat mijne vijanden mij niet bespotten en nu o, God, zal Uw Heiligen naam om mijnentwille gelasterd worden op deze plaatsen. Doch gij o Heere, kunt redding geven. Maar, God gij hebt het toch beloofd: Ik zal gedurig bij u zijn, in al uw nooden angst en pijn. Ach, verhoorder der gebeden hoort en verhoort toch mijn gebed om Uwen lieven Zoons, Jezus Christus, wil. Amen.

Zoo kwam ik weder aan dek met kracht van den Heiligen Geest des geloofs, vol moed zijnde, dat God mij redden zou. Mij kwamen eemge woordjes te binnen: mij Redder is mijn God.

Ik had Koster aan boord, niet dat ik zeggen wil, die is mijn getuige, o! neen, God is mijne waarachtige getuige.

Ik zeide dat hij het anker maar stijl moest draaien en maar een rif uit het zijl moest doen. Theunis had „de Rotterdam" vast. Ik zeide bij mij zeiven, die boot gaat zoo moeilijk rond, dus die doet dat met. Die andere booten lagen zoo stil dat wij zeiden: die gaan er bepaald niet uit. De „Sliedrecht" lag beneden den dam, en de „Nieuwe Sluis" aan het sluisje. Wonderlijk zijn Zijn wegen. Daar begon juist de „Nieuwe Sluis" op te stoken, ja daar kwam de Satan, waar is uw God, had er naar toe geroeid met de sloep, die komt toch niet rond met zoo een boot, die man die weet het immers niet, anker op, telaat om twee vlaggen op te zetten en „de Sliedrecht" stoomt nog niet. Maar groot is Zijn goedertierenheid en trouw. Daar kwam de boot juist rond en de kapitein vroeg: Gij moet er zeker uit, De Lege. Ik zeide: Ja kapitein. Nu geef dan maar een touwtje.

Theunis zijn boot had nog geen stoom of moest op volk wachten, dat weet ik nu niet. Maar hij sleepte mij niet naar de ton, neen, naar het schip, zoodat ik het eerst langs zijde was. Dat ik aan het roer God stond te loven en te danken voor Zijn verlossing, nu geliefde Broeders en Zusters. Dien Koster riep van 't voordek door al de sjouwers heen:' Wie God met hem heeft, wie zal dan tegen Hem zijn. Zoo mocht ik God loven' en danken. Maar daar schonk mij de goede God nog een zegen, dat ik vóór den Zondag nog in Rotterdam was.

Zoo was ik weder, door 's Heeren hand geland en reisvaardig om weder mijn reis voort te zetten naar Brouwershaven. Nu moet ik u eens opmerkzaam maken, wat de goede God daarmede voor had.

Als ik daar kwam, dan scheen het of God met Zijn lieven Geest meer werkzaam was, dan in Rotterdam. Niet dat ik daar niets genoot, maar daar moest het goud beproeft worden en gelouterd. Want Hij zegt in Zijn dierbaar Woord: Ik beproef het als het fijnste goud.

Sluiten