Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mbgten de gemeenten ;%iHten, wat zij konden, en doen, wat zij behoorden, hoe geheel anders zou het allerwege in ons Vaderland met de armzaken gesteld

«fcpr(i).

Iets anders is het met de sub b en d genoemden. Deze zijn geheel buiten het bereik der wet geplaatst. Omtrent haar zou zij een groot onregt begaan.

Ook de anders voortreffelijkste organisatie zou daarmee evenmin, als de beste bedoeling, verontschuldigd zijn.

Eer wij tot het bewijs, 't welk de hoofdzaak van onze verdediging der kerkelijke en bijzondere instellingen van weldadigheid tegen de armwet verder behelzen moet, overgaan, het bewijs, dat hier de regten van derden worden aangetast, moeten wij ons nog over eene veronderstelling bezwaren, die wij in de Memorie van toelichting vinden uitgesproken (2).

Zij mag gerekend worden, tot de beginselen te behooren, die aan de gansche wet mede ten grondslag liggen.

Zij is deze: »de bezittingen en inkomsten tot leniging der armoede bestemd, zijn het goed der armen."

Hiertegen leveren wij protest in, van meer dan eene zijde.

(1) Men zie orer de wenschelijkheid, maar ook do mogelijkheid eener opheffing van den subsidicnlast, wat de heer De Sitter zoo waar schreef in zijne brochure: de armenverzorging in Nederland en het verschaffen van werk aan behoeftigen, bl. 39 volgg.

(2) Bl. 15, onder al. 7.

Sluiten