Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hiertoe behooren:

a. de diakoniën, voor zoo ver zij ongesubsidieerd zijn, en dus niet gerangschikt kunnen worden onder de instellingen van gemengden aard, in welker regeling of bestuur door de burgerlijke overheid en van wege eene kerkelijke gezindte gezamenlijk wordt' voorzien (1); of — gesubsidieerde diakoniën.

b. Kerkelijke godshuizen, in de Memorie van toelichting van de burgerlijke godshuizen onderscheiden (2).

In art 98 wordt wel zulk een onderscheidiiüfiet gemaakt, maar art. 36 brengt het van zelve mede. De uitdrukking: instellingen eener kerkelijke gemeente doet aan instellingen van verschillende soort, niet aan de diakoniën alleen, denken. te

Welke andere soort nu zou men hier kunnen opnemen , zoo niet die, welke onder de benaming van kerkelijke godshuizen kan vervat worden: weeshuizen, gasthuizen, armhuizen, werkhuizen, hospitalen, of welken naam men overigens er aan moge gegeven hebben ?

Art. 12 maakt ook buitendien eene onderscheiding daar het spreekt van alle, niet door het plaatselijk of provinciaal gezag opgerigte, godshuizen; zoodat er nog andere, dan die, welke op staats- of provinciaal gezag zijn opgerigt, worden verondersteld.

(1) Art. 3c.

(2) Bl. 30, op art. 81. Omtrent een maatregel, betrekkelijk het subsidiëren, die ons hier niet aangaat, wordt gezegd: „de burgerlijke armbesturen en godshuizen staan toch onder het onmiddèïlijk gezag der gemeentebesturen, en voor de kerkelijke godshuizen is de kwaal niet tot die hoogte gestegen."

Sluiten