Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aan welke andere kan hier gedacht worden,,ckm fe^Veèrste plaats aan zulke, die instellingen eeaer kerkelijke gemeente zijn ?

Mogt men zfch op art. 98, met de Memorie van toelichting aldaar, bHjyen beroepen, ten bewijze, dat de wet het beweerde onderscheid niet wilv kennen , zoo vreezen wij, dat de wet zelve met zich in tegenspraak is, en de Memorie aan hetzelfde euvel mank gaat (1).

Dat men, bijo zulk eene uitlegging, geheel en al wederregtelijk hrstellingen en instellingen van dezelfde soort zou sèheiden ; sommige derkroder<en, als ware't^ afrukken van hunne moeder, de kerkelijke gemeente — dit houden wij met allen nadruk en met hét volste regt staande.

Verder behooren tot de hier aangetaste regten van derden:

B. die van instellingen, door bijzondere personen, of door bijzondere, niet kerkelijke vereenigingen geregeld en bestuurd (2).

(1) Art. 98 luidt» ^Onder godshuizen worden, voor de toepassing dezer wet, verslaan» alle inrigtingen, in welke behoeftigen met een weldadig doel worden gehuisvest, met of zonder verdere verzorging."

In de Memorie wordt op dit art. gezegd: „ Onder de godshuizen begrijpt de Regering alle wees-, oudemannen- en vrouwen-, besteding-, proveniers- en armhuizen, hofjes, gestichten tot verzorging van gebrejkkigen, zieken, krankzinnigen en in het algemeen alle inrigtingen, waarin behoeftigen uit weldadigheid worden gehuisvest, om het even of zij daarin verder geheele of gedeeltelijke of geene verzorging om niet erlangen. Men vertrouwt, dat de bewoordingen van het artikel die allen omvatten."

(2) Vermeld in art. Sd.

Sluiten