Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

als de bevoegde magt, om over het eigendomsregt van instellingen, door ons bedoeld, of van de gemeenten, de vereenigingen, of personen, waarvan ze zijn uitgegaan, te beschikken.

Alle poging, in dezen aangewend, zij ze ook nog zoo gering, en beteekene «e, op zkh zelve, nog zoo weinig, is

onregt; want ze strijdt met Grondwet en Burgerlijk Wetboek beide.

Immers dit laatste

2, erkent, art. 1690, «behalve de eigenlijke maatschap , ook vereenigingen van personen ah zedelijke ligchamen, hetzij dezelve op openbaar gezag als zoodanig zijn ingesteld of erkend, hetzij zij als geoorloofd zijn toegelaten, of alleen tot een bepaald oogmerk, niet strijdig met de wetten of goede zeden, zijn samengesteld."

De wet heeft hier alle mogelijke vereenigingen, die niet tot de maatschap behooren, willen opnemen.

De onderscheidingen, die zij maakt, laten zich, in het onderhavig geval, gemakkelijk toepassen.

Tot die, welke op openbaar gezag zijn ingesteld, behooren natuurlijk de instellingen eener kerkelijke gemeente, art. 3*, bedoeld, hier door ons, als A gemerkt (1), niet

De Grondwet van 1815 erkende alle godsdienstige gezindheden, in het koningrijk bestaande, daar het aan allen gelijke bescherming verleende.

Deze allen zijn op openbaar gezag erkend

(1) Boven bl. 12.

2*

Sluiten