Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De instellingen, art. Zd bedoeld, door ons onder B vermeld (1), voor zoo ver ze niet tot het private eigendom van een persoon behooren, moeten in de categorie derzulken gebragt worden, die als geoorloofd zijn toegelaten, of ook tot een bepaald oogmerk, niet strijdig met de wetten of goede zeden, zijn zamengestéld.

Ze zijn, geen van allen, op openbaar gezag ingesteld; ook niet allen op openbaar gezag erkend.

De derde en laatste categorie, die zich in twee klassen splitsen laat, heeft ruimte genoeg, om ze aUen te bevatten, en bevat ze ook werkelijk in zich.

3. Artikel 1691 luidt: «Alle wettig bestaande zedelijke ligchamen zijn, even ah particuliere personen, bevoegd tot het aangaan van burgerlijke handelingen, behoudens de openbare verordening, waarbij die bevoegdheid mogt zijn gewijzigd, beperkt of aan zekere formaliteiten onderworpen."

Twee wijzigingen of beperkingen komen hier in aanmerking.

De eene wordt gegeven door het zoo even reeds, in 't voorbijgaan, genoemde art. 947, waar bepaald wordt, dat «makingen bij uiterste wilsbeschikking ten behoeve van openbare instellingen, godsdienstige gestichten , kerken of armeninrigtingen geen gevolg hebben, dan voor zoo ver de Koning aan de bewindvoerders dier gestichten de magt zal hebben verleend, om die aan te nemen."

De tweede door art. 1717, hetwelk de bewindvoerders van openbare of godsdienstige gestichten aan de-

(1) Bl. 14.

Sluiten