Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

grondwettig regt aan die gemeente verzekerd, gekrenkt.

Zij worden zulks op tweeërlei wijze.

1. Artikel 164 der Grondwet luidt: «ieder beKjdt zijne godsdienstige meeningen met volkomen vrijheid."

Nu zijn de instellingen van weldadigheid eener kerkelijke' gemeente, onverschillig tot welke godsdienstige gezindte zij behooren, de uitvloeisels van meenmgen, welke in die gezindte heerschen.

Wanneer ze dat niet konden gerekend worden te zijn, zouden ze niet als zoo zuiver kerkelijk beschouwd worden, als de Wetgever ze in art. 3 beschouwd wil hebben.

Zijne godsdienstige meeningen nu belijdi ieder met volkomen vrijheid.

Hier is niet, zoo als vroeger in de Grondwet (1), sprake van waarborging, eener volkomen vrijheid van begrippen.

Waar men zijne meeningen volkomen vrij zal belijden , moet men ook vrij -ü§ft ■ ki- de uitoefening van onschuldige of wel goede daden , welke uit die meeiringen voortfloeijen.

Waar alleen vrijheid van begrippen verzekerd is, gelijk teivorén, daar riëeft mén op-vrijheid van belijdenis en van daden, met deze overeenkomstig, nog geen aanspraak.

Nu kunnen de meeningen medebrengen, dat men een zuiver kerkelijk beheer vordert, en dat elke bepaling),- welke de wet hief zou willen maken, eene kwetsing van het geweten wfcrdtf-"'

Deze kwetsing heeft ook in der daad plaats, wanneer de voorgedragene wet wordt aangenomen.

(1) Art. 188, 190.

Sluiten