Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eigendom het genot der liefde te bezorgen, hebben zij nog het vrif gehot van dien eigendom, al of niet?

Indien die oprigting hun zondeï de bewuste kennisgeving niet geoorloofd is, hebben zij dan nog de volstrektste beschikking over hunnen eigendom , al of niet ?

Het antwoord op deze vragen moet over het regt of onregt'^&n art. 5, in de tweede zinsnede, beslissen.

Dat het regt van vereeniging door art. 10 der Grond» wet gewaarborgd is, willen wij hier nog ten overvloede herinneren.

In hoe verre dezelfde tweede bepaling de kerkelijke gemeenten ih haar regt als zedelijke ligchamen aanrandt, kan blijken uit vergelijking van bl. 22 en 23, boven.

Wij vragen hier, op dit punt, eenvoudig: indien ié kerkelijke gemeente aan het bestuur der burgerlijke gemeente het reglement moet mededeelen, dat het doel der instelling van weldadigheid, wélke zij wil oprigten , en de middelen en de wijze, om dat doel te bereiken, aanduidt, kan zij dan, als zedehjk ligchaam, nog gezegd worden, hare. regten en verpligtingen naar hare eigene instellingen, overeenkomsten en reglementen te regelen, of is zö° dan door een band gebonden, die haar, in menig geval, zoo het burgerlijkfeëstaMUfy b. v. meest uit andersdeftlénden bestaat, natuurlijk belemmeren moet?

Geeft het Burgerlijk Wetboek hier aan dat bestuur eenige magt tot zuhVé "kënüiSneming ? Wordt de vrijheid, daar gewaarborgd, hier nieHcnroniénjkaangetast?

Sluiten