Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

provinciaal gezag opgerigte godshuizen — dat zijn, volgens de uitlegging, die wij geregtigd waren, boven te geven (1) , alle kerkelijke godshuizen — «onverminderd het toezigt, dat daarop, in verband mèt hunnen oorsprong, door anderen moet worden uitgeoefend, aan het onmiddellijk toezigt van burgemeester en wethouders der gemeente, waar zij zijn gevestigd." Het grijpt daarmede in het eigendomsregt dier instellingen of van de gemeenten, aan welke zij toebehooren, en in de vrijheid, van regten en verpligtingen te regelen, naar de verordeningen, waarop ze door het openbaar gezag zijn erkend, als ook in de grondwettige vrijheid der belijdenis van godsdienstige meeningen en der afkondiging van kerkelijke voorschriften, gelijkelijk in (2). — In de Memorie wer^t, hier ter plaatse, weder op de meermalen besprokene, verkeerde uitlegging van het artikel der Grondwet over het armbestuur beroepen. Nog wordt op art. 7 der wet van 21 Mei 1841, betreffende de gestichten voor krankzinnigen, beroepen, en op de voordeelige uitkomsten, welke hare toepassing heeft opgeleverd; als of krankzinnigengestichten en vrije kerkelijke instellingen voorwerpen van denzelfden aard waren; als of men maar eene wet, die voor het eene goed is, op het andere toepassen mag, en als of het hier, waar eene wet ontworpen wordt, niet in de eerste plaats moest gelden: wat is regt f niet: wat is goed?

(1) Zie bl. 13 en 14, met de noten aldaar.

(2) Zie boven bl. 17—19, 23, 27 volgg. «HfF

Sluiten