Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De sterke arm der wet, eenmaal gegeven, wordt in art. 15 geheel- wederregtelijk gebruikt, om klem en nadruk aan de ontworpene voorschriften bijtezetten. Daar wordt gezegd: «Besturen van instellingen van weldadigheid, op eenigerlei wijze aan de voorschriften dezer wet niet gehoorzaam, erlangen in geen geval de magtiging bij artt. 947 en 1717 van het Burgerlijk Wetboek bedoeld. — Zij, welke de voorwaarden, aan de magtiging door Ons verbonden, niet nakomen, erlangen daarna geene nieuwe magtiging." — De magtigingen, hier bedoeld, zijn de bij het ontvangen van makingen of giften vereischte.

Artikel 16 eischt van de besturen van alle instellingen van weldadigheid een jaarlijksch verslag over den staat hunner instellingen en de uitkomst van hun beheer, ten behoeve van het verslag, aan de StatenGeneraal, zoo als de Regering meent, dat dit bij art. 195 der Grondwet is gevorderd Algemeene voorschriften over den aard, en vorm dier opgaven zullen gegeven worden.

Wij herhalen niet, wat wij boven, bij de verklaring van art. 195 der Grondwet, omtrent het jaarlijksch verslag schreven. Wij merken nog op, dat kerkelijke en bijzondere instellingen in haar regt van eigendom , als zedelijke ligchamen, zoo gelijk staan, om van de grondwettig verzekerde godsdienstvrijheid der eersten niet te spreken, dat de eisch 'hier gedaan van denzelfden aard is, als, indien de we't eens mogt goedvinden, dien aan bijzondere personen over bijzondere bezittingen te doen. Dat even min als opgaven,

Sluiten