Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wat zal men dan van een ontwerp van wet zeggen , 't welk aan de besturen der instellingen van weldadigheid voorschriften geeft, als wij in de gezegde artikelen vinden ?

Artikel 19 behelst eene bepaling over de geldbelegging, welke, het zij door aankoop van onroerende goederen of van inschrijvingen in een der grootboeken van rentegevende Nederlandsche schuld, hetzij in rentegevende schuldbrieven, gehijpothekeerd op vaste goederen , welker onbezwaarde waarde ten minste een derde boven de te beleggen som bedraagt, zal moeten geschieden van de gelden, voorhanden boven het bedrag, tot den geregelden gang van het beheer vereischt. Wij laten hier de beperkingen, buiten de wet om en tegen haar in, aan een zedelijk ligchaam, of ook aan een bijzonder persoon, die er immers ook in kan betrokken zijn, gegeven, nog daar. Wij willen van de goede wijze van zulk eene geldbelegging niets zeggen; dit doet immers ook tot de vraag van regt niets af. Maar hoe ver het beheer der kerkelijke en bijzondere instellingen van weldadigheid gaan zou, willen wij alleen doen opmerken, als er van de som gesproken wordt, die belegd worden moet. 't Zijn de gelden, voorhanden h^eVf het bedrag, tot den geregelden gang van het be heer vereischt. Dus zal het burgerlijk bestuur moeten bepalen, welke gelden dat zijn ? hoe vele ? De instelling zal zich daaraan maar gedwee moeten onderwerpen ! — Waarlijk, als men in art. 22 bepaalt, dat de kerkelijke en bijzondere instellingen geene goedkeuring van den gemeenteraad op hare begroo-

5 *

Sluiten