Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

natuurlijk op al het boven dienaangaande gezegde. Wordt er van wetten gesproken, in wier geest bier», mede gehandeld wordt, als art. 4 van 14 Jannarij 1815, Staatsblad n°. 4, en art. 25 der wet van 31 Mei 1824, Staatsblad n°. 36, dan beweren wij, dat zulk een beroep niets beteekent. Wij betwijfelen, of de tegenwoordige Regering menige vroegere wet zou willen inroepen, om nieuwe daardoor te bevestigen. Ook is het hier niet de vraag, wat vroegere wetten, trouwens onder geheel andersgezinde Regeringen, al hebben bepaald en vastgesteld, maar of, wat men thans verordent, in het beginsel, regtvaardig en wettig ftjfcM

1 Artikel 23 vordert, dat de besturen van instellingen van weldadigheid, die volgens bestaande regelen of gebruiken rekening en verantwoording aan het gemeentebestuur of aan eenig openbaar gezag doen, verpligt zijn, aan datzelfde gezag jaarlijks hunne be± grooting ter goedkeuring aantebieden; terwijl art ■ 24 beveelt, dat diezelfde besturen, onverminderd de toepassing van art 16—20, de goedkeuring van Gedeputeerde Staten tot het verleenen van kwijtschelding of afslag van pachtgelden, huurpenningenen interessen behoeven. » Zij mogen onroerende goederen niet anders, dan in het openbaar verhuren of verpachten, ten ware Gedeputeerde Staten, in bijzondere gevallen , in het belang der instelling bewilligen, dat het onderhandsch geschiede. De voorwaarden van verhuren of verpachten behoeven de goedkeuring van den gemeenteraad."

Wij vragen: mogen bestaande regelen of gebruiken

Sluiten