Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hiertoe, noch van de zijde des Staats, noch van de zijde der Kerk, eene alomvattende verordening bestond, gelijk deszelfs godsdienstige meening het vordert, zou uitvaardigen (1).

Bl. 15 , laatste al. leest men: » de regering .... is overtuigd, dat den arme een antwoord moet kunnen gegeven worden op de vraag, aan welk bestuur hij zijnen nood kan te kennen geven, en het oordeel toekomt, of hij al dan niet onderstand behoort te erlangen.

Hier meenen wij, het vooreerst te moeten betwijfelen, dat het noodig zal zijn, den arme zulk een antwoord te kunnen geven.

De vraag zal, behalve door zoogenaamde passanten, niet ligt geschieden.

Elk weet, in den regel, tot welke gezindte hij behoort, en zal zich tot deze wenden.

Zij moet het beslissen, of zij hem helpen kan, wil en mag.

Een oordeel over hetgeen hier eenige vrije instelling van weldadigheid behoort te doen, komt aan het burgerlijk bestuur niet toe en mag het tegen over den arme niet uitspreken.

Dit zou hetzelfde zijn, als over hetgeen iemand uit zijne private beurs voor een arme behoorde te doen, zich eene uitspraak aantematigen.

Private personen en instellingen van weldadigheid

(1) Vergelijk het boven gezegde, bl. 30 en 31.

Sluiten