Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

staan hier, de laatsten als zedelijke ligchamen, volkomen gelijk.

Wanneer de Regering beweert (1), dat alleen de wet de grondslagen voor zulk een antwoord, als zij bedoelt, op eene voldoende en regelmatige wijze kan vaststellen, dan zou die vaststelling, zoo voldoend en regelmatig zij schijnen mogt te zijn, hoogst onregtvaardig, en daarom hoogst onvoldoend en onregelmatig wezen.

Wanneer er gezegd wordt: »bij gemis van wettelijke regeling van dit ontwerp zoude geheele willekeur heerschen (2), dan kunnen wij niet anders zeggen, dan dat die willekeur, liever, die vrijheid, het gevolg is eener armverzorging uit vrije liefdadigheid; dat deze liefdadigheid r als zoodanig, het voorbehoedmiddel in zich draagt van willekeur, daar zij altijd, voor zoo ver zij, althans eene Christelijke is, ook eene wijze en heilige liefdadigheid zijn zal, uit de beste beginselen voortspruitende, en door de beste bedoelingen bestuurd; en dat, tegenover die zoogenaamde willekeur, indien men haar door eene wet wilde breidelen , weder willekeur, of nog liever despotisme staan zou.

Uit al het boven gezegde volgt intusschen niet, dat wij elke bepaling omtrent het domicilie van onderstand en de armlastigheid ook voor de vrije diakoniën afkeuren. Verre van daar. Wij achten zulk eene bepaling hoogst nuttig en noodig. Maar de vraag is: wie zal die bepaling maken ? Niet de Staat, bui-

(1) Bl. 16 , al. 1.

(2) Al. 2.

6

Sluiten