Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 3.

De leden dezer Commissie worden bij geheime stemming en volstrekte meerderheid benoemd door de Vergadering van den Algemeenen Kerke-raad , uit drie-tallen, voor elk lid afzonderlijk, bij haar in te dienen, vóór of op den tweeden Maandag in Maart. Deze drie-tallen worden ingeleverd, wat de leden der Gemeente aangaat, door de Commissie zelve, en met betrekking tot de leden van den Algemeenen Kerke-raad, voor de Predikanten door het collegie van Predikanten, voor de Ouderlingen door dat der Ouderlingen, en voor de Diakenen door dat der Diakenen.

Art. 4.

Indien er bij den Algemeenen Kerke-raad bedenkingen mogten ontstaan tegen een of ander der door de Commissie op de voordragten genoemden, zal men tot de benoeming niet overgaan, vóór dat die bedenkingen zijn weggenomen. Art. 5.

De gekozenen van bunne benoeming door den Algemeenen Kerke-raad kennis gekregen en die aangenomen hebbende, worden, op den eersten Zondag na de aanneming hunner benoeming, van de predikstoelen aan de Gemeente voorgesteld, ten einde hun, die zouden vermeenen, eenig wettig bezwaar tegen de benoemden te hebben, de gelegenheid te geven, om dat, binnen acht dagen na de voorstelling, bij onderteekend geschrift ter kennis te brengen van den Algemeenen Kerke-raad, om door dezen te worden beoordeeld. Van den uitslag van een en ander wordt door dien Kerke-raad aan de Commisssie berigt ingezonden.

Bij onverhoopt bedanken van een der gekozenen, zal eene nieuwe voordragt van drie-tal bij het Collegie, van hetwelk de eerste nominatie was uitgegaan, worden aangevraagd, en de daaruit benoemde dan zooveel later aan de Gemeente worden voorgesteld.

Sluiten