Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voortgebracht. Wij spreken dan ook van deelen in denzelfden zin waarin Milton ze aan zgne engelen toeschrijft als hij zegt: zij zgn

„Vital in every part, Which can but by annihilation die." Daaruit volgt:

1° dat de opzieners der plaatselijke Kerk te Amsterdam niet door eene toegestane macht, maar krachtens het ambt, dat zij bedienen, de geheele Kerk in hare onderscheidene kringen regeeren. Zij zgn opzieners te Amsterdam, maar van de Gereformeerde Kerk in Nederland, ofschoon zij de macht van anderen niet opheffen of beperken, maar aanvullen en uitbreiden, en daarom alleen in sommige gevallen, en dan niet als individuen maar in gemeenschap met elkander, hebben op te treden. Er zgn echter zaken waarover eenigen of allen saam slechts zeggen hebben;

2» dat men de macht, omtrent de belijdenis en de ordening van predikanten slechts dan aan eene locale Kerk kan toeschrijven, wanneer men de Kerk in haar geheel ontbonden acht. Alleen in dit geval is zij competent te handelen alsof zij geheel alleen in de wereld was. Over dezen terugkeer tot den chaotischen toestand zouden wij echter nog wel een woordje willen wisselen i

3° dat, al waren er slechts twee of meer zulke Kerken, ze niet të denken zgn zonder deze gemeenschappelijke regeering.

Welke gedachten men evenwel over deze verhouding moge koesteren, in ons oog blijven de Kerken eene gezamenlijke Kerk, staande voorshands onder eene Kerkregeering, die dagteekent van 1816.

Het is m. i. diep te betreuren, dat men omtrent deze Kerkregeering", die door ons toedoen in stand wordt gehouden, niet alleen telkens wanneer de klassikale vergadering leden afvaardigt naar de Kerkbesturen, maar evenzeer wanneer de opzieners van eene gemeente als „Kerkeraad der Ned. Herv. Kerk te A., R. of U." samenkomen, heeft leeren spreken en handelen, alsof dit een ding ware, waarmede men zgn hoofd niet zou ' breken, indien de opportuniteit niet gebood zich voor de leus daaronder te voegen.

Ik zeg, dit is te betreuren, omdat de bekeering van de Kerk, evengoed als van de individu, altijd begint met kennis van ellende.

Deze z. g. anti-Synodale geest, die in ons arme volk is gevaren, verraadt echter een vrijheidswaan, even groot als dien van de Joden in de dagen van den Heiland, die met den belastingpenning in hunnen buidel uitriepen: Wg zgn vrij en hebben nog nooit iemand gediend.

De fout ligt nl. niet hierin m. i., dat men te anti-Synodaal, maar paradoxaal als dit moge klinken, niet anti-Synodaal genoeg is.

Men is tegen de Synode omdat zij de belijdenis niet handhaaft, omdat zg de valsche eenheid bestendigt; in den laatsten tijd, althans hier en en daar, dank zij „de Heraut" ook nog, omdat de hoogere kerkbesturen,

Sluiten