Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door de macht, die zij zich aanmatigen, de eere van Christus als het hoofd der kerk te na komen, maar vooralsnog niet, omdat de geheele kerkregeering, in al hare deelen en stukken tegen Gods Woord ingaat.

Vandaar is het dus dat de leden en opzieners der plaatselijke kerk hunne handen in onschuld wasschen en niet inzien, dat ook zij, niet alleen zijdelings b. v. in de belijdeniskwestie, maar rechtstreeks in hunne bediening in conflict komen met het Woord van God. Zoolang wij nu alleen over de besturen klagen en zelf vrij uitgaan, omdat wij nog niet inzien, dat wij — wijzelven ons ambt niet naar de instelling van Christus kunnen bedienen *) zgn wij nog niet anti-synodaal genoeg, om tot eene - doortastende Reformatie van de kerkregeering te komen.

Of men de veroordeelende kracht van dit beginsel van zich afkeert, door de theorie van Ds. Steiufort in den kerkeraad, dat de Synode wel eene macht circa sacra maarniet in sacra heeft, of door de beschouwing, dat de plaatselijke kerk geheel op zichzelve staat en het kerkverband, de kerkregeering iets bijkomstigs is, blijft wat de uitkomst aangaat volmaakt hetzelfde. Zoowel in het eene als in het andere geval, wordt men niet recht aan zichzelven ontdekt, kan men zich met eene eindelooze, afmattende kerkelijke agitatie behelpen, waarvan wij slechts negatief de verwachting koesteren, dat zij ons leiden

kan, tot hetgeen onze vromen, in de bekeering van het individu noemen

een „zich dood werken."

Maar wij kunnen nog een stap verder gaan.

Er is blijkens het zooeven gezegde tweeërlei Reformatie noodig. '„

Wat de pl aatselijke praktijk betreft hebben wij, zonder eenice kansberekening, eenvoudig Gods Woord te gehoorzamen en alle gevolgen daarvan voor onze rekening te nemen. Wat de kerk zelve in haar geheel aangaat moeten wg beginnen de zuivere kerkregeering, naar Gods Woord te zoeken en, voor zoover dit mogelijk is, te herstellen.

De wijze, waarop het eerstgenoemde door ons geschiedt, bepaalt onze verhouding tot het beginsel der afscheiding. Indien men zgne aanspraken op de kerk in haar geheel laat glippen, zich opnieuw als kerk constitueert, daarmede te kennen geeft, dat de kerk, die men verliet, de kenmerken van eene kerke Christi mist, en bij gevolg, de hand uitstrekt naar hetgeen haar, als plaatselijke kerk gedacht, niet zou toekomen, staat men op den weg der afscheiding.

Hieruit zal u, hoop ik, ook zonder nader betoog duidelijk worden, waarom ik mij, met de Afgescheidenen, nooit in éene soort kan laten rubri-

*) Als opzieners der gemeente zijn ons o. a. plichten voorgeschreven, ten aanzien van de leden, onze medearbeiders, en de kerk in haar geheel, die wij onder het bestaande regime niet kunnen vervullen. Christus heeft ons niet geroepen om aanklagers te worden of a d v i e s uit te brengen, maar om te regeeren.

Sluiten