Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ceeren, alsof het verschil, tusschen ons en hen, eenvoudig de manier van uitgang en voorts de kwestie van opportuniteit betrof. Wij gaan niet naar Ulrum!

Voorts blijkt hieruit, waarom ik niet kon medegaan met het advies, indertijd, door de Gereformeerde Commissie gegeven en de hoofdbesluiten van de vergadering in Frascati, met name o. a. het proclameeren van de drie formulieren van eenigheid als de grondslag der plaatselijke kerk? Daarmede toch wordt het historisch fundament verzwakt, wa irop al onze kerken, rechtens staan, de gemeenschap verbroken met alle predikanten en kerken, voor zoover zij weigeren of nalaten dien grondslag met bewustheid te aanvaarden; ja feitelijk, eene nieuwe kerk geknutseld, op veel minder cordate manier, dan dat in de Afscheiding geschiedde.

Op dit standpunt moet men er zelfs toe komen, bepaalde kerken, om den toestand waarin zij, tijdelijk, verkeeren, af te snijden van het lichaam van ChristuSj of — wat op hetzelfde neerkomt — als verstorven aan te merken, eene beschouwing, die, in mijn oog tot het Labadisme moet leiden en in strijd is met de leer des verbonds en die der verkiezing *).

Wat nu de kerkregeering aangaat, hebben wij tot het punt van afwijking in ons kerkelijk leven terug te gaan, m. a. w. herstel van de Presbyteria le organisatie te zoeken.

Tijdens de Remonstrantsche twisten, bij de opkomst van het Reveil in in ons land, heette het: geef ons eene nationale Synode! Maar sedert is de aandacht door ons kerkelijk gehaspel van deze zaak afgeleid, misschien ook wel omdat het ijdel scheen hierop aan te dringen.

Telkens heb ik, èn in den kerkeraad èn in gesprekken, voor doove ooren den wensch te kennen gegeven, dat de classis Amsterdam mocht worden geleid haar protest van 1816, als punt van uitgang weder op te nemen.

Tevergeefs.

Maar het feit dat in de Synode van dit jaar de eisch werd gehoord „geef ons onze prebyteriale organisatie terug" en voorts de omstandigheid, dat zelfs een man als Dr. Bronsveld zich gunstig over het voorstel van de H.H. Ringnalda en Roodhuizen uitliet, dat de Heraut zgne goedkeuring te kennen gaf, en vond, dat deze heeren hun mandaat hadden moeten neerleggen, toen hunne poging mislukte, dat ook de hoogleeraar Gunning, buiten de Schrift en de historie om, al philosopheerende, verwante denkbeelden ontwikkelt, dit alles en nog meer wat ik hier niet behoef te memoreeren, doet mij hopen dat wij in dezen tot eene meer zuivere positie kunnen komen. De wensch

*) Vanzelf onderscheid ik de zuiver juridische vraag, of eene plaatselijke gemeente hare rechten desnoods tegenover de Synode kon handhaven, en de theologische vraag, waarmede zij licht zou kunnen worden verward : of de kerken kunnen handelen, alsof de kerk ontbonden was.

Sluiten